Mijn ouders zijn onverbeterlijke anachronisten -Gastbijdrage op het blog van Young German.

Door: Gastauteur Lenhard

Mijn ouders, geboren in de jaren ’40, zijn anachronisten. Daarmee bedoel ik niet, dat ze heimwee hebben naar het Nationaal-Socialisme. Veel eerder het tegenovergestelde: Ze zijn blijven steken in 1968. Dat is de tijd, waarin ze elkaar hebben leren kennen, samen deelnamen aan studententenrevoltes en een groene, sociale en rode revolutie ontketenden. Mijn moeder riep zelf “Ho, Ho, Ho Chi Minh en liep met het Rode Boekje op zak door Keulen. Toen hun enige zoon, ik dus, zich in de jaren ’90 direct na zijn eindexamen vrijwillig meldde voor de militaire dienst, brak de Hel los en stond het hele huis op zijn kop! Ze konden gewoonweg niet begrijpen, dat hun zoon, bij wie ze alle moeite hadden gedaan om hem anti-autoritair en links op te voeden, had gekozen voor het leger. Mijn eigen moeder sprak verscheidene weken geen woord meer met me, mijn vader probeerde het mij uit mijn hoofd te praten, haalde mij na de eed-aflegging op en reed met mij naar het soldatenkerkhof bij Hürtgenwald, om mij te laten zien, hoe erg het Nationaal-Socialisme en de oorlog zijn.

Bij dat alles ben ik de grootste pacifist. Als er schoten vallen, ben ik tenslotte de eerste, die zijn kop erbij moet houden. Lange tijd heb ik geprobeerd, mijn ouders uit te leggen, dat de Bundeswehr niet op één lijn te stellen valt met de Wehrmacht (zowel in goede als in slechte zin), de Bundeswehr aan parlementaire controle onderhevig is, rechts-radicale intriges op geen enkele manier tot het ineenstorten van de republiek zouden leiden en een beetje autoriteit en orde ook ónze huishouding goed gedaan zouden hebben.

Dat hielp allemaal niets. Ons kleine huis had een onverzorgde tuin, waarin het onkruid nu nóg woekert en alle soorten dieren als gasten aantrekt. Vaatwerk, vuilnis en papieren slingeren onopgeruimd soms dagenlang rond – het is een door en door links huishouden, alsof die twee waren ingevroren in de tijd rond ’68. Allerhande socialistische lectuur staat op stoffige boekenplanken, vergeelde foto’s uit de activistentijd, die bij mijn ouders duurde tot in de jaren ’90, staan en liggen overal in het rond.
Ergens zijn die twee nooit echt volwassen geworden en alleen mijn vader oefende een beroep uit: hij was een paar jaar leraar, vóór Opa stierf en wij konden erven. Van vroeg tot laat kreeg ik als kind te horen, hoe goed het socialisme in de DDR wel functioneerde, wat een verschrikkelijke republiek het westen, dús onze BRD, was, en wat een pech het was voor een jong mens als ik om op te groeien in een kapitalistisch systeem. Oorlogsspeelgoed mocht ik niet hebben, voetballen kon er nog mee door. Amerikaanse woorden moest ik als het even kon niet gebruiken en überhaupt was alles, wat rechts van de SPD stond, niet om op te stemmen.

Ik kan me ook twintig jaar na dato nog het gezicht van mijn moeder in herinnering brengen, toen ik haar vertelde, dat ik zou gaan verhuizen naar een andere stad. Want de Bundeswehr had me overgeplaatst, zelfs voor meerdere jaren, als aspirant-onderofficier. Ik vertelde ze ook, dat ik “patriottisch wilde denken en handelen”. Op de één of andere manier was dat allemaal niet, wat mijn ouders wilden horen. Ze braken liever met hun eigen zoon, dan achter hem te staan en van hem te houden, zoals ouders zouden moeten doen. Ook nu nog is daarin maar heel weinig verandering gekomen en de verhouding met hen is zo slecht als het maar kan, ook nu ze intussen grootouders zijn van mijn dochter, die ze zelden of nooit komen bekijken.

Maar als wij telefoneren en ik het met mijn vader over de politiek heb, kan ik hem aan de andere kant van de lijn met zijn hoofd zien schudden. Het is ongetwijfeld niet ongewoon voor kinderen om met hun ouders te breken. Ik vertelde mijn vader, dat hij immers hetzelfde had gedaan met zijn eigen vader, die een hogere officier bij de Wehrmacht was geweest en de oorlog en de krijgsgevangenschap overleefde, vervolgens een firma oprichtte en zijn nabestaanden een behoorlijke erfenis kon nalaten. Maar dat begreep mijn Ouwe Heer niet, en hij verweet mij, dat “de rechtse omgeving” mij geen goed deed. Daarmee bedoelt hij niet de NPD of de AfD, maar de paar CDU’ers van de Waarden-Unie, die ik in mijn vriendenkring heb. Daarnaast ben ik niet eens politiek geëngageerd, stem maar zelden en word door de meesten van mijn collega’s beoordeeld als man van het midden.

Maar op het nachtkastje van mijn ouders liggen dan ook geen Bijbel of een Grondwet, maar de geschriften van Marx en Engels.

Mijn ouders zijn werkelijk anachronisten, die van mening zijn, dat morgen het Nationaal-Socialisme opnieuw zal opstaan en de marxistische contra-revolutie ophanden is. Dat zeggen ze echter al, sinds ik een kind was. Toen in de jaren ’80 de Muur nog overeind stond, waren grenzen goed en hadden een antifascistische beschermingsfunctie. Tegenwoordig zijn muren kortom slecht en racistisch, een kenmerk van het fascisme en van het kapitalisme.

En toen Fidel Castro stierf, heeft mijn moeder gehuild. Toen de journalist Jan Fleischauer zijn boek “Onder Linksen” publiceerde, voelde het voor mij, alsof hij MIJN leven beschreven had. Het is deze absolute onverzettelijkheid en onverbeterlijkheid van mijn linkse ouders, die geestelijk zijn blijven steken in Woodstock en bij de RAF, die mij zozeer tegenstaat. Conservatiever te zijn dan mijn ouders was de enige mogelijkheid om me aan deze waanzin te onttrekken.

Door: Gastauteur Lenhard op het blog van Young German.
Vertaling: Theresa Geissler.