Keulse meisjes en verbrand vlees -gastbijdrage.

Door: “Kölscher Jung” , gast-auteur bij Young German.

Acht jaar zal het al geleden zijn. Het lijkt mij helemaal geen acht jaar geleden. Eerder iets van gisteren. Daar sta ik weer op het station van Keulen tussen al die mensen met hun afgetobde gezichten, die triest en grauw aan mij voorbijtrekken. Een amorfe massa figuren, die zich zoals in Otto Dix’ na-oorlogse schilderijen door een lelijke en ontsierde stad schuifelen, daarbij zelf elke vorm en schoonheid weersprekend.

Maar daar is een meisje met een rood jack en een boodschappentas in de hand, die opduikt en zich losmaakt uit de massa. Heel kort zie ik haar maar, dan is ze verdwenen. Ingestapt in- en weggedragen door de trein. Eén ogenblik kruisten onze blikken elkaar zowaar en ze moet zich waarschijnlijk gestoord hebben aan mijn verschijning. Weliswaar mankeert er niets aan mijn lichaam, ik kan nog normaal lopen en staan. Anderen hadden niet zoveel geluk.

Inmiddels is de terugkeer naar het mooie en burgerlijke leven mij gelukt, werk ik in een kliniek met kinderen en jongeren. Dus datgene, wat mij toch al ligt en wat mij werd bijgebracht: Mensen helpen, die gewond geraakt zijn. Gewond van binnen of van buiten. Alleen jezelf te helpen is iets moeilijker. Iedere maand spreek ik af met kameraden van vroeger, omdat zij de enigen zijn, die iemand begrijpen, zonder dat men iets hoeft te zeggen. Maar zelfs gesprekken met hen verliezen na verloop van tijd aan inhoud.

In september was ik uitgenodigd bij een barbecue en er was voor allemaal een feestelijk etentje. Maar iemand had de varkensbout te lang in het vuur laten zitten, zodat de buitenste korst, daar waar de vettige huid zit, aangebrand raakte. De geur drong mij in de neus en ik voelde een braakneiging opkomen, tegelijkertijd voelde ik me echter zeldzaam opgewonden en vitaal, zoals ik me lang niet had gevoeld.

Het deed me denken aan de verkoolde mensenresten, aan de kinderen met geamputeerde armen en benen. Verbrande huid van mensen ruikt net zo als een aangebrand varkentje op de grill. Aanvankelijk had me dat slechts in het begin gestoord, nadien kwam de routine. Men behandelt de patiënt, verzorgt hem en voert hem af. Al het andere ligt in handen van de doktoren en bij God, als hij mocht bestaan.

Te midden van dit ontspannen bier-fuifje is er een veel rooskleuriger leven en aardige mensen, die zich over de dingen, die wij, of ik, gezien hebben het hoofd niet breken. Die hebben daar geen idee van en dat is ook maar beter zo. Alleen bekruipt me het gevoel, ja, het vermoeden, dat dit hier niet de werkelijke realiteit is. De barbecue, het bier, de mooie dames, de zachtmoedige kussen en de omarmingen zijn vreemd en doen onecht aan.ik verbeeld me voortdurend, dat ik kruitdamp ruik. Het kruidige aroma van buskruit in de neus, hoewel het er helemaal niet is.

’s Avonds keer ik terug naar mijn woning op stand in een mooie wijk van Keulen, begroet mijn vrouw en zeg tegen mezelf, dat dit hier de realiteit is. De kleine volkstuintjes en de matjes voor de huisdeur, het meisje met het rode jack en de andere vrolijke mensen – die zijn realiteit, de oorlog is in een andere wereld.
Sinds 2015 zie ik alleen maar de vele jonge Afghanen met de schotwonden en -littekens op de huid, de grijs-gespikkelde baarden van deze mannen en van hun vrienden uit de Kaukasus. Soms met een hele groep tegelijk op het station, vaker alleen voor de vluchtelingen-opvang.

En is werkelijk geen ontkomen aan en ik weet niet, wat ik van de zorgeloosheid van de mensen hier moet denken. Waarschijnlijk benijd ik ze alleen maar.

Door: ‘Kölscher Jung’, gast-auteur bij Young German.
Vertaling: Theresa Geissler.