Afrekening met een latent-aanwezige vorm van vroeg- 20ste-eeuws seksisme

Door: Theresa Geissler

Kent u, lezer, de tekst van de nu ongeveer een eeuw oude ‘smartlap’ van J. H. Speenhoff, “Afscheid van een marinier”? Hij staat ook wel bekend onder de beginregel: “Vaarwel Marie, (ik moet je nu verlaten)”. Mogelijk kent u hem niet; het is echt iets voor de liefhebbers, oftewel: geïnteresseerden in vooroorlogse, cultuur-maatschappelijke tendensen.

Ik koester die interesse eveneens, zij het bij vlagen, en in dit speciale geval vraag ik me al geruime tijd af, wat Speenhoff destijds zèlf met dit lied heeft willen overbrengen.
Mocht het bijvoorbeeld uiteindelijk satirisch bedoeld zijn, dan is het wat mij betreft in orde en heeft hij daarin volkomen gelijk, ook naar de tegenwoordige maatstaven. Mocht het echter bedoeld zijn als een echte ‘smartlap’, die serieus meegaat in de tragiek van de “briefschrijver”, een afscheid nemende marinier, die blijkens de tekst ‘vrijwillig getekend heeft’, dan wordt het iets anders.

Ik kan u ter verduidelijking maar het beste meteen de hele tekst voorschotelen. Hier is hij:

Vaarwel Marie, ik moet je nu verlaten
Ik heb getekend bij de zeesoldaten
Ik moet gaan varen langs de woeste zee
Vaarwel Marie, je kan niet met me mee
’s Nachts zul je in je bedstee om mij treuren
’t Is beroerd, maar ach! Het moet gebeuren
Vergeet mij niet en blijf mij eeuwig trouw
Vaarwel, vaarwel Marie, je wordt nog eens mijn vrouw

Ik zal je elke maand wat centen sturen
Daar kan je dan een kamertje voor huren
En zoek dan hier of daar een nette was
Dan heb je brood en ik ben in mijn sas
Of ga je liever appelsienen venten
Kijk dan goed uit, of ’t kost gauw je centen
Enfin je weet wel wat je moet gaan doen
Vaarwel Marie, hier geef ik in mijn brief een zoen

Wanneer je ’s avonds kousen zit te stoppen
Denk dan aan mij, dan zal je hartje kloppen
Doe dan je ogen met je handen dicht
En haal dan voor je, mijn bedroefd gezicht
Dan moet je stiekem in je eigen zeggen
Kon ik nou maar ’s in zijn armen leggen
O, was hij nou toch voor een poosje hier
Denk daar ’s om, Marie, dan doe je me plezier

O ja, Marie, dat wou ik je nog vragen
Je moet geen rooie baaien rok meer dragen
En doe die krullen van je voorhoofd weg
Die staan zo raar, dat weet je ook wel zeg
Want ga je ’s avonds laat nog door de straten
Dan heeft een ieder jou zo in de gaten
Dan haalt de hele buurt je even aan
En dat mag ik alleen maar doen, je lieve man

Want als een ander met je wil gaan lopen
dan moet je hem geen flauwigheid verkopen
Want kom ‘k terug en hoor ik daar wat van
Ik kijk je met mijn zolen nog niet an
Dan sla ik jou en hem finaal in drieën
Geen donder kan me dan meer schelen, zie je
Pas op Marie, dan maak ik je een lijk
Dan ben je naar de maan en heb ik groot gelijk

Maar lieveling, dat zal je mij niet lappen
Laat je toch nooit met een ander snappen
Dat doe je mij niet aan, daarom gewed
Daarvoor ben jij te goed, jij bent geen slet
En als ze jou soms achterna gaan lopen
Dan moet je ze een watjekou verkopen
Sla d”r maar op en hou ze van je lijf
Knijp ze maar fijn Marie, je bent een stevig wijf

Maar potverdorie, ik laat me zo niet villen
Wanneer die blauwe kerels rauzen willen
Ik sta mijn man, dan geef ik ze hun vet
Of ‘k rijg ze aan mijn sabelbajonet
Maar lieve Meid, ik zal voorzichtig wezen
En ’s avonds moet je in het Nieuwsblad lezen
Dan zie je eens mijn naam er in gedrukt
Ik breng ’t ridder voor je mee, wanneer het lukt.

(J.H. Speenhoff)

Verdere toelichting overbodig, neem ik aan?
Het lied wordt, meer dan een eeuw na dato, natuurlijk bijna niet meer gedraaid en ergens is dat maar goed ook: Het representeert een maatschappijbeeld met bijbehorende rollen- en maatschappelijke verwachtingen van de maatschappij van elk van beide seksen, die doodgewoon niet meer kán. Die, waar hij onverhoopt nog eens de kop mag opsteken, onherroepelijk dient te worden afgewezen, of het zich nu manifesteert in de vorm van radicale jihadisten, macho rappers, zoals ‘Boef’ of de ‘macho in het algemeen’: Bepaalde denkwijzen over De Vrouw mógen in deze tijd niet meer als aanvaardbaar worden beschouwd.

Vandaag viel mij opeens een eigen manier in, om een bijdrage te leveren aan de ‘afrekening’ met deze tendens: ik bedacht, op de oorspronkelijke melodie van dit lied, een passend “antwoord” -van de geadresseerde van deze brief:

Slagvaardig antwoord van Marie op de ‘afscheidsbrief van de marinier van J.H. Speenhoff

Vaarwel hoor Piet! Jij mot me nu verlaten
Jij heb getekend bij de zee-soldaten
Dat ik niet mee kan op zo’n Jantjes-schuit
Dat wist jij naar ‘k vermoed al lang vooruit
Toch kon dat jou naar ’t schijnt niet echt weerhouwen
’t Lijkt mij, dat alles hier jou ging benauwen
Het mot gebeuren, schrijf jij, maar zeg zelf, Piet:
Van wie het mot, dat schrijf jij wijselijk weer niet

Die centen voor een kamer ken je houwen
‘k Heb door, dat jij dat liever doet dan trouwen
En spaar je raad voor was of venterij
Hoe ‘k an me brood kom, dat beslist niet jij
Bleef jij hier dan kon jij d’r wat in zeggen
Maar zoals ’t nou zit, hoef ‘k niks uit te leggen
En hou die zoen maar voor je, beste man
Zo’n zoentje op papier, daar heb ik niet veel an

‘k Zal kousen-stoppend maar niet jer’miëren
Al erg genoeg, da’k deze les moest leren
En jouw bedroefd gezicht, wat zie ‘k er in
Jij wou dit zelf, dus nu heb jij je zin
Je weet: ‘k had steeds graag in je arm gelegen
Dat ken niet meer, dan valt dat jou óók tegen
Nog treuren ook, dat wordt me wat te veel
Dat vliegt me naar me zin onnodig naar me keel

Die rok en krullen zullen nodig wezen
Voor ’t daag’lijks brood, maar jij hoeft niet te vrezen:
Ik hoef de straat niet op, da’s niet wa’k moet
Buffet-juffrouw voldoet daarvoor heel goed
Wat ‘k moet gaan doen, schrijf jij, zal ‘k wel zelf weten
En dat is waar: Zo heb ik ook te eten
Heb echt niks ín, maar kijk jij nu wat scheel, Piet
Niks an te doen m’n “lieve man”, jij bent er niet.

Wat zit je nu al drukte te verkopen
Om of een ander met mij wil gaan lopen
Je schrijft: Marie, jij wordt nog eens mijn vrouw
Dus ben ‘k dat nu niet of vergis ‘k me nou
Was hier gebleven, dan had jij nog recht van spreken
Nu zijn je kansen daarop wel verkeken
Maak mij tot lijk en jij ontvangt geen roem of recht
Dan… kom jij zelf geheid in het cachot terecht

Ik zou maar niet zo zelfverzekerd wezen
Dit ‘watjekou’ zoals ‘k het hier moet lezen
Daar kan niks anders, hoe ook, tegenop
Slaat krek half-dood – dus daar heb jij een strop
Jij hebt het zelf verkozen, af te reizen
Het is wel kras, dat jij nu nog gaat eisen
Ik ben geen slet, daar zeg je een waar woord
Maar ook geen muildier, dat de drijver toebehoort

Je gaat je gang maar daar tegen die blauwen
En gaat het scheef, dan zal ’t als eerste jóú berouwen
“Het ridder” breng je mee -wel heb ik daar!
Wanneer dan – over 15, 20 jaar?
En daar zou ik ter eer’ van jou op moeten wachten?
M’n goeie Piet – hoe krijg je ’t in gedachten?
Al denk jij, dat een vrouw geduldig wacht op jouw wens
Ik ben wel vrouw, maar’, net zoals een man, een MENS!

Ik heb mijn best gedaan om dit antwoord in de tijdgeest van het oorspronkelijke lied te laten: Marie is zeker nog geen hoogopgeleide ‘feministe’met hoogdravende idealen, zoals wij ze tegenwoordig kennen, maar wèl een nuchtere, onafhankelijke geest, voor wie de afscheidsbrief van haar … vriend, minnaar, misschien zelfs verloofde, maar zeker nog geen wettige echtgenoot (zoals hij immers in het eerste couplet al duidelijk maakt) als een klap in het gezicht komt. Na de eerste schok doorziet ze echter zijn rammelende argumenten en beseft, dat hij eerder wordt gedreven door zucht naar avontuur en mogelijk heldendom, dan door bittere noodzaak. Waarna ze tevens beseft, dat bij hem alles en iedereen daarvoor moet wijken: Van zijn bloed- eigen familieleden tot zijzelf.

In geen geval doet hij dit voor háár, heeft het van tevoren niet eens met haar besproken, maar stelt haar voor een voldongen feit. De ‘zorgzame’ voorstellen, die hij haar doet – niet meer dan een paar aalmoezen- laat hij vergezeld gaan van een scala aan beperkende eisen, zelfs gekoppeld aan dreigementen, terwijl HIJ er tussenuit knijpt, zonder haar zelfs ook maar eerst te húwen, zodat hij in feite niet eens recht van spreken heeft! Dit alles laat hij tegenover haar èn tegenover zichzelf doorgaan voor “liefde.”

Marie prikt daar doorheen, behoudt – met de beperkte middelen, die haar in haar tijdvlak ter beschikking stonden – de regie over haar leven, en wijst hem slagvaardig af.
Dat is géén geïdealiseerde fantasie van mijn kant: Zulke vrouwen bestonden toen wel degelijk, al moesten ze daarvoor sterk in hun schoenen staan en een nuchtere inslag hebben.

Het is een klassieke, onopvallende vorm van emancipatie, die waarschijnlijk van alle tijden is en al die eeuwen ook standgehouden heeft, al wint het pas behoorlijk terrein sinds de jaren ’60 – in de schaduw van het veel extravagantere “feminisme”.

Maar als we zien, dat die laatste vorm nóg niet altijd in staat blijkt, om bepaalde soorten ècht macho-gedrag te herkennen (bv. niet de islam-gerelateerde soort) dan valt het niet moeilijk te voorspellen, van welke vorm we het op den duur moeten hebben.

En tenslotte nogmaals wat J. H. Speenhoff betreft: Als hij dus het absurde van die hele liedtekst heeft onderkend en het nummer wel degelijk als satire heeft bedoeld… Ja, dan is hij een vroeg- twintigste eeuws voorbeeld geweest van de geëmancipeerde mán. Maar zeker weten doen we het niet.

Door: Theresa Geissler.