Het Rijke Roomse leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij (Deel 4)

(De nu volgende serie van zes artikelen is bij uitzondering geen Duitse actualiteit, maar Nederlandse historie.

Hij ontstond in de jaren, waarin ik reageerde, vertaalde en publiceerde op de site van E. J. Bron. Na rijp beraad besloot ik, hem in zijn geheel naar Theresa’s Visie over te brengen: Het is de geschiedenis van mijn familie, waardoor ik hem beschouw als mijn eigendom en dat van deze site. Hier Deel 4);

Screenshot_2

Hij, die het eerst uitvloog…

Het was wel een typische speling van het lot dat Huub, in de tóch al kluwenachtige Rotterdamse familie van der Kaaij het meest bedeesde, teruggetrokken moedersjochie, uitgerekend de eerste was die genoopt werd voor enige tijd het nest te verlaten. Maar het feit lag er: Als enige ingeloot voor de militaire dienst en zonder medische of psychische klachten die hem er nog onderuit hadden kunnen helpen. Hij ging dus – het zal wel onder tranen van moeder Jans geweest zijn, al heb ik daar nooit met zoveel woorden iets over gehoord – en….wel, hij redde het. Getuige de manier waarop hij er nog decennia lang over zou praten, redde hij het zelfs góed en deed er ervaringen en vaardigheden op die hem onherroepelijk onthouden waren geweest als hij thuis gebleven was!

Dat realiseerde hij zich ook wel, al bracht hij dat nooit letterlijk naar voren: De ongeschreven code luidde nu eenmaal dat de diensttijd iets was om op te kankeren en kankeren zóuden ze, zowel tijdens de bewuste periode als achteraf, al schiep dat aan de andere kant dan weer automatisch de saamhorigheid, die later vrijwel altijd als zoiets positiefs ervaren zou worden. Dat begon al tijdens de lange marsen, gepakt en bezakt ondernomen, tijdens welke de klaagliederen opborrelden die het harde lot der dienstplichtigen moesten illustreren. Tenminste één ervan herinnerde mijn vader zich aldus:

“Wie zijn vader heeft vermoord”
“En zijn moeder heeft vergeven” (vergiftigd)
“Die is nog veel te goed”
“Voor het soldatenleven.”

Evenwel:

“Eens komt voor ons de tijd
“Dat we d’ rotzooi gaan verlaten”
“Vervloekt zij ’t regiment”
“God zeg’ne de soldaten!”

En natuurlijk het befaamde “Rats, kuch en bonen”, dat in die tijd al in alle uithoeken van de wereld in alle denkbare varianten gezongen werd. Zó letterlijk hoefde je dat ook weer niet te nemen, gaf Huub achteraf toe: op zichzelf was het eten dat in de kazernes werd voorgeschoteld redelijk. Alleen was het wèl een nadeel dat er, heel eenzijdig, alleen maar op gelet werd of het ‘stevige kost’ was en op geen enkel ander aspect, zodat het kon gebeuren dat ze hartje zomer, na een hele dag exerceren in de brandende zon, als avondmaaltijd erwtensoep of hachee kregen voorgezet, niet bepaald de meest geschikte maaltijd in zulke omstandigheden. (Menigeen zal zich nu misschien herinneren, dat er in die tijd eveneens een soldatenliedje circuleerde, dat heette: “Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?”, maar het moge duidelijk zijn dat zulks bij hoge temperaturen echt niet nodig was om de hele compagnie ertoe te brengen “z’n eten te laten staan.” En uitgerekend op zulke momenten, zou mijn vader zich later herinneren, vond een misselijk Tweede Luitenantje, ene Jhr. Groenincx van Zoelen, het opeens nodig een “inspectieronde” langs de schragen tafels te maken en deze of gene die duidelijk achter een vol bord “voor de brug zat” quasi achteloos met een geaffecteerde castraten-stem toe te spreken: “Zeg-eh….. moet jij niet eten?” “Nee, Luit.” “Zo….”-korte stilte- “Waaróm niet?” ” ‘k Voel me niet goed, Luit.” “Zo….”- opnieuw een korte stilte; dan, met een licht triomfantelijke stembuiging: “Dan zou ik, als ik jou was, dit weekeinde maar eens ter observatie de ziekenboeg in gaan en níet met verlof.” Dat soort stekeligheden, beweerde mijn vader, had hij nodig, omdat hij verder niet genoeg omhanden had: Hij was ook nog een blauwe maandag kapitein geweest, maar toen weer gedegradeerd wegens gebleken ongeschiktheid, Het zat er dik in dat zijn familie hem de krijgsmacht had binnengeloodst, omdat ze niet geweten hadden wat ze anders met hem aan moesten: Zulke figuren kwam je tenslotte in elke adellijke familie regelmatig tegen. Maar als rekruut zat je er nu maar móói mee!

Als mijn vader eerder bijvoorbeeld H.B.S. had gehaald, had hij de kans gehad om van deze pedante nitwit op z’n minst te gelijke te worden, want gewoon dienstplichtige of niet, iedereen met een schooldiploma op dat niveau belandde automatisch in de officiersopleiding, omdat het toen nog zo relatief weinig voorkwam. Hij had, zoals reeds in deel 2 opgemerkt, slechts vierjarige MULO, dus werd het, volgens hetzelfde principe, voor hem de onderofficiersopleiding. Niet dat het van hem nu zo nodig hoefde, maar dat was nu eenmaal de standaardprocedure. Behalve het leidinggevende aspect was er nog iets wat een onderofficier onderscheidde van een gewoon soldaat, namelijk: Het recht om een pistool bij zich te dragen. Een dienstplichtige leerde natuurlijk al om met een geweer oftewel karabijn om te gaan – en daarnaast trouwens om dat geweer perfect te onderhouden; daar werd, met alle reden, uiteraard streng op toegezien. Men kan stellen dat de vaardigheid om te kunnen schieten – en het geweer tegelijk in perfecte staat te kunnen houden – door de bank genomen het grote verschil uitmaakt tussen diegenen die de militaire dienstplicht hebben vervuld en zij, die dat níet hebben gedaan. Maar het bereiken van de onderofficiersrang voegt daar dan nog een extra dimensie aan toe in de vorm van een andersoortig wapen! Die voldoening mocht Huub dan ook aan den lijve ondervinden, zodra hij maanden later de opleiding had afgerond en de eerste morgen na zijn bevordering met zijn nieuwe dienstpistool op appèl verscheen. De sergeant van zijn batterij, die hier niet op was voorbereid, begon onmiddellijk te blaffen: “Waar is je karabijn?” “Ik heb hier mijn pistool.” “Deugt geen donder van: Je moet een karabijn hebben!” “Nee. Sinds gisteren ben ik zelf sergeant.”

Zodra hij, wiens-gelijke-in-rang Huub thans was, hiervan kon worden overtuigd (misschien moesten op dat moment de sergeantsstrepen nog opgenaaid worden, dat weet ik eigenlijk niet precies), zweeg hij, de mond vol tanden.. Al kon hij nadien dan nog wel eens zijn overwicht laten gelden door zich te beroepen op ‘het hebben van meer dienstjaren’, maar de scherpe kantjes waren er toch duidelijk af. Nog weer later zou mijn vader ook nog de voor een MULO-klant hoogste rang behalen: die van sergeant-majoor. Maar ik geloof eigenlijk dat dit pas plaatsvond tijdens de mobilisatie van ’39- ’40. Want voorlopig kon hij, zodra in ’35 zijn dienstplicht er op zat, terug naar het ‘burgerleven’ en naar zijn familie in Rotterdam. De familie was intussen in zijn geheel verhuisd naar de Insulindestraat, op een kilometer afstand van hun vorige huis. In ’45 zou er nóg een verhuizing plaatsvinden naar de daar vlakbij gelegen Rodenrijselaan. Beide adressen hadden met elkaar gemeen dat ze nog iets dichter bij de Noordsingel, en dus bij het kleermakersatelier gelegen waren.

Nu Huub was afgezwaaid, was het gezin Van der Kaaij wederom geheel compleet: Jo, Stef, Annie en Walter woonden nog steeds genoeglijk thuis, zonder dat zich voor deze of gene onder hen een verloofde had aangediend die hier mettertijd verandering in had kunnen brengen. Of de zoons in die periode vast werk hadden, weet ik niet precies, maar de dóchters hadden het in ieder geval wèl: Jo was inmiddels telefoniste bij de PTT geworden; dat gold in die tijd als ‘nogal een aardig beroep, voor een meisje.’ Ze heeft zelf echter haar hele leven volgehouden nog nooit ook maar een dág met plezier te hebben gewerkt. Nooit ging er een zondag voorbij zonder dat ze minstens één maal hartgrondig uitbraakte: “Morgen weer maandag, bwoah!” En maandagmiddag, zo tegen zessen, kende huize van der Kaaij inmiddels een vast ritueel: Wanneer Jo de trap besteeg – in de Insulindestraat woonde de familie voor het eerst op een bovenwoning – stond daar op de overloop Marie, de werkster, die haar steevast begroette met een tandeloze grijns en altijd hetzelfde zinnetje: “So, de kop is ter weer af, Jefrau!” Jo: “Ja, gelukkig wèl, Marie!” Marie: “Hèhèhèhèhè!” (tandeloos gegrinnik). Elke maandag weer, zoals mijn vader later zou verzekeren; kón niet missen!

Zijn andere zuster, Annie, had na de middelbare school een korte opleiding toerisme gevolgd – vooruitstrevend voor die periode – en was in dienst getreden bij de ANWB Rotterdam. Ze heeft daar ook carrière gemaakt, want op haar 65ste zou ze er afscheid nemen als adjunct-directrice! Alleen het vinden van een levenspartner teneinde op een toen nog voor een vrouw respectabele manier te kunnen ‘uitvliegen,’ zat er bij haar net zomin in als bij Jo, door de onevenredig sterke binding aan dit  “kluwengezin.” En nu alle kinderen Van der Kaaij ouder werden, begon dit langzamerhand natuurlijk des te meer op te vallen, al werd er destijds nog minder bedenkelijk tegenaan gekeken dan tegenwoordig het geval zou zijn.

De enige kleine verandering die, afgezien van de verhuizing, had plaatsgevonden: Het gezin had nu inmiddels een huisdier: Een kat. Feitelijk hadden beide veranderingen direct met elkaar te maken: De bovenwoning in de Insulindestraat bevond zich boven een graanopslagplaats, wat met zekerheid de oorzaak was dat de familie er last had van kleine, ongenode gasten, oftewel: muizen. Eerder had men nooit enige behoefte gevoeld aan welke viervoetige huisgenoot dan ook; zelfs Jans, met haar achtergrond als boerendochter, had er nooit naar getaald. Maar hier had zich dus de welhaast klassieke aanleiding voorgedaan om er tóch maar aan te beginnen. Officieel gaf niemand in huis – Stef, om de één of andere reden uitgezonderd – bijzonder veel om het beest, dat voor het gemak “Scherens” werd gedoopt, naar de toenmalige Belgische Wielerkampioen Jef “Poeske” Scherens met het oog op diens bijnaam. Ook mijn vader gaf in eerste instantie voor in het algemeen al niet van katten te houden en al helemaal niet van dit weinig aimabele, dikke, op het eerste gezicht aartsluie exemplaar. Maar zoals dat vaker bij hem het geval was: Na dit te hebben vastgesteld, bleek hij dan opeens met betrekking tot die kat een voorraad anekdotes bij de hand te hebben die zijn voorraad eigen jeugdherinneringen overtrof: Bijvoorbeeld dat vader Bertus reeds de eerste avond zat te meesmuilen: “Nou zeg, daar nemen we nou een kat voor: Dáár zit de kat en dáár loopt de muis!” Hij had het, aldus Huub, evenwel nog niet gezegd, of met één razendsnelle, strategische klauwbeweging had Scherens de muis te pakken, zodat de familie-patriarch, ietwat verbluft, zijn woorden maar weer terugnam. Of het hilarische gegeven dat Scherens in beginsel hele dagen voor de kachel lag te slapen, maar dan, vooral in het voorjaar, ’s avonds plotseling ‘krols’ werd en onrustig ging zitten miauwen. Als men hem vervolgens door een dakraampje naar buiten liet, (“Hup, joh, ga jij dan maar wat lol maken”) wilde hij steevast minder dan een half uur later weer naar binnen en bleek onveranderlijk snipverkouden, wat de familie toeschreef aan het feit dat hij verder nooit buiten kwam, maar onafgebroken voor de kachel lag. Het is typerend voor het tijdvlak dat niemand  daarbij aan de mogelijkheid van niesziekte dacht, waar men tegenwoordig al snel voor zou hebben gevreesd. Maar gelukkig was het dat waarschijnlijk ook niet, want het beest heeft een respectabele leeftijd bereikt: Huub’s latere vrouw, Leonie, heeft er in ieder geval ná mei ’45 nog mee mogen kennismaken.

Gedurende die paar resterende, relatief rustige, jaren bekwaamde mijn vader zich in het boekhouden en haalde daar zelfs het praktijkdiploma in, wat hem onder andere lesbevoegdheid in de branche gaf – dat hij er nog meer mee wist te doen, zou na de oorlog, tijdens de wederopbouw blijken. Echter, zo ver was het nog niet: In ’39, na de Duitse inval in Polen, wat het begin van de Tweede Wereldoorlog inluidde, volgde de mobilisatie: Opnieuw moest Huub, nu als onderofficier, onder de wapenen. De toestand waarin de Nederlandse Krijgsmacht zich bevond, bleek meer dan erbarmelijk; logisch gevolg van Hendrik Colijn’s jarenlange ‘politiek van het gebroken geweertje.’ Daarnaast geloofde men op dat ogenblik waarschijnlijk nog maar half dat het deze keer menens zou worden; men bleef zich maar vastklampen aan het verloop in ’14-’18, toen Nederland er doorheen had weten te zeilen door middel van haar ‘neutraliteit.’ Maar, zoals wij allen inmiddels weten: Dat zou nú even anders uitpakken. Al bleek, ondanks de deplorabele toestand van het Nederlandse leger, de weerstand van datzelfde leger tegen de Duitse agressor taaier dan Hitler had verwacht!  Het pleit werd, vijf dagen na de Duitse inval, op 15 mei 1940 beslecht met het bombardement op Rotterdam, waarna spoedig de Nederlandse capitulatie volgde: Het centrum van de stad lag volledig in puin en bijna in diezelfde tijd kon de Rotterdammer Huub van der Kaaij, ironisch genoeg, terugkeren naar huis.

De omgeving Noordsingel bleek waarachtig grotendeels gespaard, ook de Insulindestraat en het politiebureau Haagse Veer, met inbegrip van het kleermakersatelier. Mijn vader trof aldus zijn ouderlijk thuis als door een wonder nog intact aan. Zoals voor zoveel Nederlanders leek voor de familie Van der Kaaij daardoor in de maanden, volgend op de , het leven langzamerhand weer zijn normale loop te hernemen, maar ja, wat was normaal? De bezetting was een feit! Met als gevolg, dat zich spoedig nieuwe dreigingen aandienden: De Nederlandse Joden ontvingen na het neerslaan van de Februari-staking van ’41 definitief hun oproep om op transport te worden gesteld naar het Oosten, waarna zij één voor één óf werden afgevoerd, óf onderdoken; de Nederlandse jongemannen – en mannen tot een bepaalde leeftijd – ontvingen vroeg of laat hun oproep voor de Arbeitseinsatz….eveneens oostwaarts, richting Duitsland. Wederom had mijn vader geluk: Hij wist de hand te leggen op een ambtelijke betrekking, die vrijstelling van ‘Arbeidsinzet’ betekende. Al hield dit dan wel in dat hij ten derde male huis en haard zou moeten verlaten, want de betrekking was er één op het Landbouwhuis, afdeling Voedselvoorziening, in Alkmaar, helemaal in de Kop van Noord-Holland! Maar ja, het was dàt of Duitsland, dus de keuze was gauw gemaakt. In het midden van ’42 vertrok mijn vader noordwaarts. Zijn broers Stef en Walter ontkwamen níet aan de Arbeitseinsatz. Toch zou Walter, later in de oorlog, zijn voordeel doen met de nieuwe omgeving- en de nieuwe kringen, waarin zijn broer terecht gekomen was……

Mijn vader werd in Alkmaar zorgzaam opgevangen: Hij kwam in de kost bij de chef van de afdeling Voedselvoorziening, Ranzijn, met wie hij regelmatig ’s morgens naar het kantoor aan de Paardenmarkt fietste. Op een bepaald punt op de route, zo merkte hij al spoedig, kreeg de chef dan vaak gezelschap van een paar typistes van de afdeling, die tenslotte dezelfde bestemming hadden. Eén van hen leerde hij kennen als Guur Schoonhoven, de andere, een opvallend zwartje met een up-to-date 40’er jaren-kapsel, als Leonie van der Wiel…… De sfeer op kantoor was wel goed; zelfs verkapt patriottisch: De onuitgesproken afspraak was de Duitse overheersers, waar het kon, tegen te werken; daartoe onderhield men dan ook intensieve contacten met het verzet. Van de connecties, die de jonge verzetsman Bram Daalder – die in de loop van ’42 door de SS ingerekend en naar Buchenwald was afgevoerd – had gehad, was de hele afdeling op de hoogte, maar het bleef een goed bewaard geheim. Chef Ranzijn nam opmerkzaam kennis van de loopbaan-in-militaire-dienst van zijn nieuwe boekhouder: sergeant-majoor….Dan kon hij dus met wapens van verschillend kaliber overweg? Dat kon hij. “Je begrijpt, er is hier een eindje buiten de stad, in West-Friesland, nogal behoefte aan….instructeurs. Hopelijk kan ik je naar voren schuiven?” Mijn vader sloeg niet af: Het waren er de tijden niet naar om iets af te slaan als men de gevraagde vaardigheid metterdaad beheerste….

Na het nodige ‘aftasten’ en wederzijds uitwisselen van informatie zag men kort daarop regelmatig een eenzame fietser, type kantoorman, tochten ondernemen van Alkmaar naar het West-Friese. Heel af en toe werd hem, meestal door een ‘Landwacht’- altijd NSB’ers – om zijn PB gevraagd, waarna hij steeds mocht doorrijden. Met dat PB was alles in orde; hij verbleef hier legaal. Overigens was de controle in dit deel van Noord-Holland ook niet zo intensief, al moest je uiteraard voortdurend op je tellen blijven passen. Op een gegeven moment bereikte de fietser, hoe dan ook, de oprit van een boerderij, waar hij afstapte. De boerderij van ene Wim van Veen. Op die boerderij trof hij mensen. Wie zij waren? Dat was minder belangrijk: Belangrijk was, dat zij voor hetzelfde doel stonden als hij. Al was het een verrassing om te vernemen dat één van hen, Harry van der Wiel, gemeentesecretaris in Obdam, de broer was van dat knappe zwartje op kantoor, Leonie…….

Wim van Veen zat actief in het verzet, met medeweten van zijn vrouw Nel. Dat boeren op dit vlak behulpzaam waren, bijvoorbeeld door hulp aan onderduikers, kwam wel vaker voor, Maar van Veen ging verder: Zijn schuur was geruime tijd in gebruik als opslagplaats voor illegale wapens die door het Verzet werden benut, bijvoorbeeld bij overvallen op distributiekantoren en dergelijke, waarbij de buitgemaakte distributiebonnen ten goede kwamen aan onderduikers. Mijn vader nam in deze de taak van instructeur op zich: Hij hield trainingen en gaf advies over het onderhoud van de verschillende soorten wapens, waarbij hij ook de supervisie behield. Natuurlijk hield het bezit van zo’n voorraad wapens een risico in, een gróót risico zelfs! Maar ik kan de lezer hier géén dramatisch verloop gaan voorschotelen over een plotselinge ontdekking tijdens een razzia, waarbij een x-aantal mensen ter plekke werd gefusilleerd, om de eenvoudige reden dat zulks zich hier nooit heeft voorgedaan. (kwestie van pure mazzel, maar ja…..) Over het omgekeerde hoort men betrekkelijk weinig, maar toevallig heeft zich dát hier wèl voorgedaan: Op een keer, nèt op het moment dat men in de schuur druk doende was met het onderhoud en het nazien, ging de deur open en kwamen er twee Duitse soldaten binnen! Men zou toch zeggen dat er een uitkijk op het erf op wacht had moeten staan, maar klaarblijkelijk was men hiermee dit keer slordig geweest. Hoe dan ook, die twee Duitsers – jonge knullen waren het nog – waren al evenzeer verrast: Dit hadden ze totaal niet verwacht. Het schijnt dat ze, langs de boerderij fietsend, slechts waren afgestapt in de hoop eieren of iets van spek te kunnen kopen om vervolgens, toen ze niemand op het erf aantroffen, op goed geluk een deur te openen. Ze schijnen gesmeekt te hebben om hen te laten gaan; ze zouden niets verraden, maar daaraan kon de verzetsgroep uiteraard geen gehoor geven: Out of the question dat dit risico genomen mocht worden. Ze hebben die twee jongens ter plekke moeten neerschieten en hun lichamen zowel als hun fietsen moeten laten verdwijnen, hoe verschrikkelijk ze het ook vonden…..

Een paar maanden later was het min of meer ècht raak. Min of meer, want de Duitsers kunnen, achteraf bekeken, geen enkele concrete aanwijzing gehad hebben, weinig doortastend als ze bij die gelegenheid optraden. Als ze al kwamen naar aanleiding van de één of andere tip, dan waarschijnlijk een héél vage, waarbij ze zelf niet goed wisten wat ze zochten. Dit keer werd er bijtijds alarm geslagen dat ze eraan kwamen en Wim van Veen, Huub, Harry en nog enkele anderen waren het veld in gevlucht om zich te verstoppen. Alleen Nel van Veen bleef thuis. De Duitsers drongen het huis binnen, zetten haar het geweer op de borst en probeerden haar aldus te dwingen informatie te geven over….ja, waarover? Activiteiten of iets dergelijks? Als het concreet om wápens was gegaan, om maar een voorbeeld te noemen, hadden ze ook eigener beweging kunnen beginnen huis en hof volledig uit te kammen, maar dat deden ze niet eens: Na enige malen dreigen en vragen om inlichtingen, waaronder Nel, hoewel natuurlijk doodsbenauwd, uiterlijk kalm zichzelf van de domme bleef houden…..geschiedde het wonder dat ze het opgaven en weer vertrokken zonder nog ergens naar te zoeken! De wapens lagen volkomen ongerept verborgen in de schuur, de mannen keerden uit het veld terug zonder een haar gekrenkt te zijn. De enige die er finaal doorheen zat, was, begrijpelijkerwijs, Nel. Ze was dan ook niet meer te vermurwen: Dat hele wapenarsenaal moest ergens anders heen. “‘k Wil die krenge gin dag meer in huus!”

Nu is zoiets gauw gezegd, maar vind maar eens een andere opslagplaats! Een dag of twee later wèrd er één gevonden, maar moest er nog worden overlegd hóe en door wie dat hele arsenaal het beste vervoerd kon worden over een landweg, waar af en toe nog wel eens Duitsers en landwachten patrouilleerden. Het verlossende woord in deze werd gesproken door Piet Opdam, die duidelijk een dappere inslag vertoonde, hoewel hij volgens mijn vader tegelijkertijd een ontzettende zenuwknoop was, getuige het feit dat hij verschrikkelijk stotterde. Nu evenwel toonde hij zich vastberaden: “D-d-d-d-dat doe ik!” Met zijn bakfiets, de wapens allemaal in de bak geladen en afgedekt met stro en daar overheen een dekzeil. Het leek geen echt veilig transportmiddel bij een onverwachte, grondige controle, maar niemand wist iets beters. “R-r-r-r-r-rij j-j-jij maar voorop,” stelde hij mijn vader voor, “e-e-en als-t-er m-m-moffen a-a-a-nkommen, roep je maar h-h-heel hard: ‘P-p-p-p-p-iet!’” Achteraf naverteld klinkt dat onveranderlijk grappig; op het moment zelf wel wat minder, naar ik veronderstel. Maar goed, alles liep als door een wonder gesmeerd en de wapens vonden een nieuw, veilig onderkomen. Ze zijn nooit ontdekt, laat staan geconfisqueerd en hun bezitters bleven eveneens ongedeerd.

Inmiddels had Huub, ook al dankzij zijn contacten met Harry, niet alleen nader kunnen kennismaken met Leonie, maar ook met haar ouders. De familie was, na de vroegtijdige pensionering van vader Jan, verhuisd naar Heiloo, een gemeente onder de rook van Alkmaar, waar hij vrij gemakkelijk bij ze op bezoek kon gaan. Leonie en hij hebben zich weliswaar nooit “officieel” verloofd, maar niettemin waren ze het inmiddels “eens:” Ná de oorlog zouden ze trouwen. Het was maar goed dat hij het op dit punt ook met Jan en Fien “eens” had weten te worden, want intussen had zich een nieuw probleem aangediend in de vorm van zijn broer Walter, waar hij, tenminste in eerste instantie, hun hulpvaardigheid bij nodig had. In tegenstelling tot hun broer hadden Stef noch Walter de Arbeitseinsatz kunnen ontlopen. Beiden waren afgevoerd naar Duitsland en daar tewerkgesteld. Stef zou pas na de Duitse capitulatie in mei ’45 terugkeren – met gescheurde trommelvliezen, doordat hij met explosieven had moeten werken, zodat hij de rest van zijn leven hardhorend zou blijven. Walter echter had in de loop van ’44 weten te ontsnappen en was er, op welke manier dan ook, in geslaagd naar Nederland terug te keren zonder opnieuw in Duitse handen te vallen. In Rotterdam was hij echter niet veilig en daarnaast konden Bertus en Jans hun sterk vermagerde, ernstig verzwakte zoon evenmin naar behoren op krachten laten komen. Met alle beschikbare middelen slaagde broer Huub er in hem naar Noord-Holland te halen, waar hij hem voorlopig bij zijn schoonouders in spé kon onderbrengen, maar het was vanaf het begin duidelijk dat het maar een zeer tijdelijke oplossing betrof: Het moeizaam opgespaarde voedselvoorraadje van de Van der Wielen slonk zienderogen, vrijwel meteen na Walter´s intrede; er moest dus zo spoedig mogelijk een ander onderkomen worden gezocht via het West-Friese verzet. Huub kreeg de raad het in De Weere bij boer Klaver te proberen, die op dat moment één onderduiker had. Klaver was een welgestelde landbouwer op jaren, die vanwege zijn enorme omvang wijd en zijd “de Dikke Boer” werd genoemd. Op dat ogenblik was hij reeds in de 80 en werd de boerderij grotendeels gedreven door zijn drie volwassen, nog steeds ongetrouwde, zoons, maar ‘Vaeder’ had onbetwist de supervisie over alles, want seniel was hij om de donder niet en zijn wil was wet. Huub wist van tevoren dat hij zijn verzoek vooral op de juiste manier zou moeten overbrengen, want als de dikke boer, geprikkeld door één verkeerd gevallen woord, nee mocht zeggen, kon je het wel vergeten: Dan bleef het onherroepelijk nee; ’t was geen gemakkelijk heerschap. Dat had pastoor Van Oostwaard al moeten ondervinden, nadat die in zijn zondagspreek eens al te persoonlijk was geworden (“We moeten nodig wat verbeteren aan het niveau van ons zangkoor, want op deze manier looft men de Here níet: Daar staat me bijvoorbeeld zo’n Dikke Boer maar een beetje te krassen!”). Bij het eerstvolgende huisbezoek echter, waar hij gewend was van die welgestelden wel iets in handen gestopt te krijgen, luidde het antwoord op zijn hoopvolle vraag “En, Klaver, heb je nog wat in de ouwe kous?” kort en bondig: “Gaete, meneer pestoor, gaete.” En dat was vanaf dat moment niet meer veranderd.

De avond waarop Huub, zijn ‘tactisch ingeklede verzoek’ in zijn ‘bovenkamer’ opgeborgen, naar de boerderij toog, kon hij het daar bij binnenkomst meteen wel laten hangen, want er zat iemand op bezoek. Iemand die hij niet kende. En als er in die bezettingsjaren íets tot alle betrokkenen bij het verzet was doorgedrongen, was het wel dat je niets wat ook maar in de verste verte met verzetsactiviteiten te maken had, mocht bespreken in het bijzijn van iemand die je niet kende. Dat werd dus voor de vorm een uur lang over koetjes en kalfjes praten, waarna hij onverrichter zake weer huiswaarts toog. Echter, de volgende dag verscheen, verrassend genoeg, Dirk, de oudste zoon op het Landbouwhuis, die bij Van der Kaaij belet vroeg en besmuikt informeerde: “Ha’ je meskien nog een booskippie veur oos, gesterneivend?” Ik kan me zo voorstellen dat mijn vader de man wel had kunnen omhelzen vanwege zijn alertheid, maar hij beperkte zich uiteraard tot een even besmuikte uiteenzetting van de kwestie, waarop Dirk uitnodigde: “Kom veneivend nog maer es: We zalle zien…..”

Toen mijn vader die avond dan ten tweeden male huize Klaver betrad, bleek Dirk het inmiddels al ‘op de woorden gegooid’ te hebben bij ‘Vaeder,” die Huub rustig liet uitpraten om vervolgens het verlossende woord te spreken: “Jae, da’ mot dan maer, ee….” waarop je dan ook niet meer moest beginnen met “Vreselijk bedankt, Klaver”, omdat dàt dan weer nors werd afgeweerd: “Jae, ’t is goeie…Skai maer uut.” Hoe dan ook, Walter zou er tot de bevrijding blijven, tot volledige tevredenheid van alle partijen. Ook van De Dikke Boer, die er content over was dat deze onderduiker ’s morgens zo gemakkelijk vroeg uit de veren kwam en dan meteen naar het land vertrok. Dat hij daar verder, zachtjes uitgedrukt, niet al te veel uitvoerde, telde niet: Hij was de hele dag van de vloer en daar ging het om! Dit, omdat de Dikke Boer de vergelijking trok met de andere onderduiker, die naar zijn zin te veel rondom ‘huis en hof’ bleef hangen, wat ermee te maken had dat hij een oogje had op de Meid – met wie hij na de oorlog metterdaad is getrouwd. Maar in het hoe en waarom verdiepte de Dikke Boer zich niet: Hij zag alleen het verschil tussen de een, die naar zijn oordeel maar liep te lanterfanten, en de ander, die hij de hele dag niet onder ogen kreeg, ongeacht, wat die verder uitvoerde, zoals gezegd, zodat het herhaaldelijk was: “Niksnut! Jai deug’ veur niks: Neem ’n veurbeeld aen Walter!” En tegelijkertijd: “Walter, jonge, jai mot hier maer goed ete!” Wat Walter zich geen twee keer liet zeggen. Nog geen zes weken na zijn aankomst in huize Klaver was hij qua omvang te vergelijken met zijn gastheer, wat feitelijk zijn hele verdere leven zo gebleven is.

Juist in bezettingstijd werd elke gelegenheid voor een ‘verzetje,’ hoe geïmproviseerd en sober ook, aangegrepen, omdat de situatie anders helemáál onhoudbaar was geworden. Zo probeerde men in verzetskring op een gegeven moment nog wat te maken van de één of andere 25-jarige bruiloft in een café ergens in Hoogwoud, waarbij ook Leonie van de partij was. Haar aanstaande, Huub, trad bij die gelegenheid op als ceremoniemeester, waarvoor hij een zeker talent bezat en wat hij na de oorlog nog vele decennia bij diverse gelegenheden is blijven doen. Hij schreef er ook liedjes en voordrachten voor, waarin, traditiegetrouw, ook de aanwezige bruiloftsgasten genoemd werden. Van één van hen, een zekere Van der Leij, wist hij eigenlijk niets af, behalve dat de man, tenminste van geboorte, Rotterdammer was! Dat volstond! Het inspireerde mijn vader tot het slot-couplet van het bruiloftslied, dat instinctief door verscheidene aanwezigen meegezongen, nee, meegebrúld werd, niettegenstaande het feit dat het niet over West-Friesland ging en…..niettegenstaande het feit  dat er zich pal achter dat café een onderkomen voor een detachement Duitse soldaten bevond. Leonie zou later erkennen haar hart vastgehouden te hebben op het moment dat haar aanstaande, na de inleiding: “En zoals ook Mijnheer van der Leij…….” niet meer te houden was en de ‘ode aan Rotterdam’ , vooral het slot, onder algehele instemming uitschrééuwde: “Ze kunnen dan misschien wel wat aan onze stad bederven,” “MAAR ROTTERDAM, ONS ROTTERDAM, NOOIT ZAL HET STERVEN!” Dat was onvoorzichtig, ja. Zéér onvoorzichtig. Maar opmerkelijk genoeg liep ook dit, zoals bijna alles in deze geschiedenis, met een sisser af. En de clou werd door alle bruiloftsgasten begrepen!

Ook de Hongerwinter van ’44-’45 viel voor de meeste inwoners van dit gebied, de Kop van Hoord-Holland, nog wel uit te houden, al ontstonden er op het laatst ook hier ernstige tekorten en heeft ook Leonie vanuit Heiloo tenminste één keer op hongertocht gemoeten, waarover in een volgende aflevering meer. Maar erger nog was het meer zuidwaarts, richting de Randstad: Haarlem, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag…..Het valt nu niet meer voor te stellen dat er mensen vanuit díe omgeving soms helemaal tot aan West-Friesland liepen in de hoop wat eten te bemachtigen, maar op dat moment was het de realiteit…..en nóg erger. Of zij door de boeren geholpen werden…..Door verschillende wèl, door anderen niet; dat varieerde….

Bij Wim en Nel van Veen zaten ze altijd wel goed. En ook bij de familie Vijzelaar in De Weere: Jan Vijzelaar en zijn vrouw, Ma, hadden zich er al snel op ingesteld: Wie, vaak nog tegen de avond, bij hen aan de deur kwam, mocht allereerst mee-eten: Bij behoorlijke aantallen kookte Ma wel een extra voorraad pap in een grote ketel. En vervolgens mochten ze dan ook blijven slapen, op de ‘koegang’ in het achterhuis, waar extra hooi en dekens werden neergelegd. De volgende dag kregen ze dan ook nog een voorraadje mee waarmee ze óf verder óf huiswaarts konden, dat waren Jan en Ma! Maar nu was het op een avond in januari ’45 dat Huub en Leonie gezellig bij deze kanjers op visite zaten ter gelegenheid van Jan’s verjaardag en dat Ma al een paar keer had benadrukt: “Jan, veneivend gin sleipers, sei (wat zeg jij)?” “Nei, nei, veneivend nait,” had Jan bevestigd: Verjaardag was verjaardag. Nog geen half uur later werd er geklopt. “Deer zal je ze toch nog hebbe,” constateerde Ma, “mar…..” “Jae, ‘k weit ‘et; ‘k stuur ze wel weg…..” Jan ging de kamer uit, waarna hooguit anderhalve minuut later stemmen en voetstappen weerklonken…..op de Koegang! “Wel verdikke……” Geïrriteerd kwam Ma overeind om werktuiglijk de papketel alweer op het vuur te zetten, waarop haar man binnen kwam, die zwijgend ging zitten. “Noh, Jan, wat ha’k zoid? Gin Sleipers!” “Och, Ma……”korte paue- ” ’t wazze sukke gnappe (keurige) meinsies…..”  Ma toog namopperend aan de slag, maar de “gnappe meinsies” krégen die nacht hun avondmaaltijd en hun slaapplaats, en de andere dag hun voorraadje: Jan, en uiteindelijk ook zijn vrouw, waren niet in staat om ook maar iemand ooit te weigeren! Zúlke had je er gelukkig eveneens bij, anders had de Hongerwinter mogelijk nog meer slachtoffers geëist.

Op mei 1945 capituleerde Duitsland. Mijn vader, chef Ranzijn, Harry en zo nog een aantal verzetsmensen accepteerden een blauwe maandag de armbanden van de BS, maar leverden die meteen weer in zodra hun assistentie niet langer strikt noodzakelijk was. Zij hadden hun plicht gedaan; zij hadden het niet nodig om nog wekenlang brallend met hun karabijnen de straten af te schuimen, in het wilde weg te schieten, “moffenmeiden” te molesteren en kaal te scheren en de verkeerde mensen op te pakken, zoals de types, die de hele oorlog geen hand hadden durven uitsteken, maar hun kans schoon zagen nu het gevaar goed en wel geweken was. Zij waren degenen die niet op roem of erkenning zaten te wachten, maar hun voldoening putten uit het feit dat het land weer vrij was, niet meer en niet minder. En ze gingen hun blik op de wederopbouw richten!

Mijn vader was trouwens op dat moment nog steeds dienstplichtig onderofficier en dat zou nog een tijdje zo blijven ook. Maar hij bleef gestationeerd in de ‘Kop’, en werd tewerkgesteld op een administratieve afdeling in Amsterdam, zodat hij een begin kon maken met het opbouwen van een toekomst met Leonie. Walter kon terugkeren naar Rotterdam en ook Stef keerde, zoals gezegd doof, maar levend, vanuit Duitsland huiswaarts, waar beiden weer onmiddellijk werden opgenomen in de ‘familie-kluwen.’

Eind goed, al goed? Niet helemaal natuurlijk: De wederopbouw was geen sinecure…..

(Wordt vervolgd)

Door:

Theresa Geissler
(oorspronkelijk geschreven voor: www.ejbron.wordpress.com)

LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij (1880-1955)

Screenshot_108
Station van Alkmaar (na 1930).

(Door: Theresa Geissler)

(De nu volgende serie van zes artikelen is bij uitzondering geen Duitse actualiteit, maar Nederlandse historie.

Hij ontstond in de jaren, waarin ik reageerde, vertaalde en publiceerde op de site van E. J. Bron. Na rijp beraad besloot ik, hem in zijn geheel naar Theresa’s Visie over te brengen: Het is de geschiedenis van mijn familie, waardoor ik hem beschouw als mijn eigendom en dat van deze site. Hier Deel 3):

Groeipijnen in de schaduw van de crisis

Het gezegde “Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen” is hoe dan ook van alle tijden. Net zoals je ervan uit kunt gaan dat kinderen in principe door de eeuwen heen nooit veranderd zijn. In princípe, want ze worden natuurlijk door elke tijdgeest telkens wèl beïnvloed, zodat iedere generatie op het eerste gezicht weer anders l i j k t. Om de overeenkomsten te vinden, moet men vervolgens gaan observeren: Soms zijn ze moeilijker te ontdekken, soms gemakkelijker, dat hangt helemaal af van de persoonlijkheid van het betreffende kind. In het schoolmeestersgezin Van der Wiel was het aanvankelijk niet de vraag of de kinderen verder zouden leren: Natúúrlijk zouden ze dat, hoeveel het er ook zouden worden; dat was totaal geen punt van discussie. Nu werden het er uiteindelijk vijf en gezien dat voor die tijd redelijke aantal is het denkbaar dat dit Jan en Fien – maar vooral natuurlijk Jan – aanvankelijk alleen maar in hun voornemen sterkte. Dat het na een aantal jaren toch niet allemaal even simpel bleek te liggen, kwam, zoals met alles, door de onvoorziene omstandigheden waarmee ieder mens in zijn leven te maken krijgt, maar die zich van tevoren nu eenmaal niet laten plannen.

De eerste tegenvaller op dit gebied was al dat de oudste dochter, Franciska (meestal kortweg ‘Cis’ genoemd), totaal geen interesse in school bleek te hebben. Tegenwoordig weten we dat dit op die leeftijd een normaal verschijnsel is, misschien niet direct iets om over te juichen, maar wèl iets wat ouders maar beter van tevoren kunnen incalculeren: Dat het hele proces van schoolgaan en schoolprestaties leveren allemaal in je jeugd valt, is weliswaar onvermijdelijk, maar gelet op de mentale en hormonale veranderingen, die zich juist in die periode voordoen, hoeft men niet vreemd op te kijken als het hoofd van een ‘puber’ zo ongeveer naar alles staat, behalve naar leren. Dat daar in die tijd nog totaal geen aandacht aan werd besteed, wil niet zeggen dat het niet bestond en af en toe ook zichtbaar werd.

En dat gold dus meer dan 100% voor Cis: Pubers heetten toen nog ‘bakvissen’ en hier had men, zo ongeveer vanaf haar twaalfde, het prototype van een bakvis! Het eerste onmiskenbare symptoom was dat ze vanaf die leeftijd ernstig last kreeg van onbedaarlijke aanvallen van “slappe lach,” bij voorkeur op de meest ongelegen ogenblikken: Wanneer ze bijvoorbeeld tijdens het eten een vlieg over tafel zag lopen en alleen maar méénde te bespeuren dat die vlieg mank liep, begon het al en het hield niet op, ook niet na diverse ouderlijke vermaningen. Meestal kreeg vader Jan er tenslotte genoeg van, zodat hij haar de kamer uit stuurde: “Eén a’g’ uitgelache zijt, kunde v’rom komme.” Dan klopte ze een paar minuten later op de deur, zelf in de waan dat ze de aanval onder controle had, maar goed en wel op de drempel begon ze dan wéér! Nu ja, dat is dus tegenwoordig nog steeds een overbekend verschijnsel dat iedereen zal herkennen, is het al niet bij zichzelf op die leeftijd, dan toch zeker wel bij alle pubers die men in het dagelijks leven tegen het lijf loopt.

Het grootste probleem was dat ze er tevens op school last van had, al was dat daar dan ook vrijwel het enige wat ze uitvoerde: Lachen en de boel op stelten zetten. Waarschijnlijk louter uit praktische overwegingen hadden haar ouders haar naar de Openbare H.B.S. in Hoorn gestuurd – wat in een later stadium nog deel uit zou maken van een hele roddel- en lastercampagne die toen ontstond, wánt OPENBAAR – maar daarover later meer. Het werd, hoe dan ook, geen succes: Jan en Fien, die voor hun oudste de vijfjarige H.B.S.-opleiding in gedachten hadden gehad, moesten tenslotte wel onder ogen zien dat Cis met school stopte, zonder dat ze zelfs maar het diploma van de driejarige H.B.S. had weten te behalen.

Met haar broer Adriaan, het tweede kind in het gezin, verliep daarentegen alles eigenlijk vekkeloos: Hij wist wèl de vijfjarige H.B.S. te halen, niet eens door zijn bijzonder grote ijver, maar eerder door zijn buitengewoon flegmatische – sommigen zouden zeggen slome – inslag. Als het trouwens al sloomheid wás, dan toch in ieder geval niet gespeend van opmerkingsvermogen: Hij was de enige aan wie de ouders tijdens de lange treinreizen naar Brabant (zie deel 1) geen kínd hadden, ook niet tijdens de wachttijd van twee uur in Amsterdam, omdat hij die, volkomen rustig, wist óm te krijgen met het nauwkeurig bestuderen van de aldaar aanwezige treinstellen! Relaxed, de handen op de rug, stond de jongen tijdenlang de constructie van deze of gene locomotief in zich op te nemen, met een precisie die mogelijk tóen al zijn latere carrière verraadde: Hij zou tenlotte namelijk zijn bestemming vinden als gemeentearchitect van Wognum en jarenlang met zijn gezin in de mooiste ambtswoning van dat dorp mogen wonen.

Sommigen zouden geneigd zijn z´n gedrag als ‘braafheid’ te kwalificeren, maar dat was eigenlijk niet eens het juiste woord, want hij was er niet bewust op uit om met zijn gezeglijkheid de oudere generaties te behagen: Dat flegmatische zat eenvoudig bij hem ingebakken. Tegelijkertijd had hij duidelijk bewondering voor de recalcitrantie van zijn oudste zuster Cis, aan wie hij zich graag ‘optrok.’ Als er iemand in huis op de hak moest worden genomen of er anderszins heibel moest worden gemaakt, nam zij doorgaans het voortouw, waarbij hij zich vervolgens gráág aansloot. Hij gedroeg zich bij zulke gelegenheden volkomen als haar ‘paladijn,’ en van hun samenspannen werd vooral de tweede broer, Harry, regelmatig het mikpunt. Die kon er namelijk niet goed tegen, geplaagd te worden – hij ‘hapte’ te snel – en daarnaast was hij op dat punt geheel en al een zoon van vader Jan, vreselijk driftig van aard. Hij was echter ook astmatisch en, onduidelijk of het met elkaar te maken had, menig keer bracht het gezuig van zijn zuster en broer hem dermate buiten zinnen dat hij het met een flauwte moest bekopen! Na dit een paar maal te hebben meegemaakt, legden zijn ouders hem niet langer op bed, waarna ze in paniek de dokter uit Hoogwoud lieten komen, maar hielden zonder omhaal zijn hoofd onder de pomp: Succes verzekerd en je kon met dat jong niet eeuwig aan de gang blijven – was hun redenering.

Of ze Cis en Adriaan overigens nog te verstaan gaven dat ze hun broer niet zo het bloed onder zijn nagels vandaan moesten halen omdat hij daar kennelijk geen adem meer van kreeg en flauwviel, ik denk eerlijk gezegd van niet: Het werd in die tijd over het algemeen niet pedagogisch geacht om een kind extra te ontzien: Daar werd het week van, heette het. Om dezelfde reden vertelde je een kind evenmin snel dat het mooi was, of dat je er om een andere reden trots op was. “Daar ging het maar van naast zijn schoenen lopen.” Tegenwoordig kan men over deze zienswijze, of beter gezegd: over de starre opvatting ervan, van mening verschillen, maar tóen was het algemeen geaccepteerd. Niettemin moet het toch een schok voor ze geweest zijn toen er bij Harry op twaalfjarige leeftijd een beginnende tuberculose werd geconstateerd. Alles bij elkaar lag de jongen een vol jaar in het sanatorium, waarna hij, gelukkig, genezen verklaard werd, wat niet wegnam dat het voor het gezin een kostenpost betekende waarmee niet echt rekening gehouden was en die zwaar op het familiebudget drukte. Zelfs zó zwaar dat, toen weer een jaar later Leonie aan de beurt geweest zou zijn om verder te gaan leren, daar opeens geen geld voor was…… Dat is althans de lezing, die zijzelf er jaren later aan zou geven. En op zich klinkt het ook logisch. Wat die logica echter weer aan het wankelen brengt, is het feit dat er nóg eens anderhalf jaar later plotseling besloten werd om de benjamin van het gezin, Maria -in de wandeling Miep genoemd- op een Brabantse kostschool te doen. Hoe kon het, vraagt men zich af, dat er voor de één geen geld meer over was voor gewoon regulier voortgezet onderwijs en dan plotseling weer wel voor een internaat voor de ander? Op grond van welke overwegingen waren Jan en Fien tot dit besluit overgegaan? Om daarover tot steekhoudende conclusies te kunnen komen, moeten we minstens een poging doen om ons van beide meisjes een beeld te vormen:

Leonie was degene die van alle dochters, zowel uiterlijk als innerlijk, het meest op haar moeder leek: Qua uiterlijk waren de overeenkomsten zelfs frappant, terwijl qua innerlijk in ieder geval de gevoeligheid een gemeenschappelijk kenmerk geweest is. Terugblikkend zou Fien zich jaren later nog eens bijna verwonderd herinneren: “Zo’n gemakkelijk kind als jij toch was…..” Of dat gezond genoemd kon worden? Ik heb daar, eerlijk gezegd, mijn twijfels over. Mijn moeder scheelde zes jaar met Cis, maar als je haar decennia later moest geloven, zat ze, wanneer die in huis weer eens de boel op stelten zette of met haar ouders overhoop lag, er alleen maar stilzwijgend bij, terwijl ze zich afvroeg: “Waarom dóe je dit…..?” Ik weet nog, dat ik op het moment dat ze dat vertelde er eveneens stilzwijgend bij zat, dat ik reageerde in de trant van hm, ja, en aha, en bij mezelf dacht: “Echt normaal vind ik dit niet.” Cis was waarschijnlijk alles wat in die periode als onhandelbaar gold en haar ouders – die tenslotte, evenmin als andere ouders, op dat gebied veel gewend waren – tot wanhoop dreef, maar uiteindelijk was ze wèl n o r m a a l. Een normale ‘bakvis.’ De vroegtijdige ernst van mijn moeder, de vroegtijdige neiging om van alles een gewetenszaak te maken, alsmede die hang naar inschikkelijkheid en het willen-bewaren-van-de-vrede vond – en vind – ik minder  normaal, zeker op die leeftijd. Later maakte ik voor mezelf weleens de volgende vergelijking: Als je de persoonlijkheden van beide zusters had moeten afzetten tegen de meidenlectuur van die tijd had Cis model kunnen staan voor Joop ter Heul van Cissy van Marxveld en Leonie voor Laura Ingalls uit de ‘little house’ serie. Maar dat zal slechts verstaan worden door diegenen die ooit met beide genres hebben kennis gemaakt.

Maar: Hoe zat dat nu met Miep? Wat was nu de dwingende reden geweest om dit jongste meisje opeens naar kostschool te doen, hoewel de familie er op dat ogenblik zó krap bij zat dat een ander zusje überhaupt niet meer naar school had gekúnd? Wie de omstandigheden van dat moment nader onder de loep neemt, komt tot de ontdekking dat er bij deze beslissing meerdere factoren meespeelden:

Om te beginnen moeten haar ouders toen al gemerkt hebben dat ook Miep geen erg gemakkelijk karakter had – ze vertoonde al jong tekenen van opstandigheid over van alles – en kunnen ze gevreesd hebben voor een herhaling van hoe het met Cis gegaan was. En dat mocht voor geen prijs gebeuren: De ongeschreven gulden regel in elk onderwijzersgezin was destijds dat minstens één kind – liever meer – zelf onderwijzer(es) moest(en) worden, wat tot nu toe binnen de familie Van der Wiel om uiteenlopende redenen nog niet was gerealiseerd, zodat men wat dat betrof alle kaarten op de jongste had gezet. Echter, behalve dat er op grond van de eerdere ervaringen met Cis gevreesd werd voor eenzelfde scenario, speelde er waarschijnlijk nóg iets mee:

1928 was het jaar, waarin het rooms-katholieke lagere schooltje in De Weere, gemeente Hoogwoud (opgericht in 1824) voorgoed gesloten werd. Er werd een nieuwe school gevestigd in De Weere, gemeente Sijbekarspel en aanvankelijk had het een uitgemaakte zaak geleken dat Jan daar automatisch opnieuw zou worden geïnstalleerd als hoofdonderwijzer, maar opeens bleek daar het laatste woord nog niet over gesproken: Er gingen stemmen op om voor deze post iemand anders te zoeken en de argumenten die werden aangedragen, bleken voor het overgrote deel…. Fien te betreffen. Plotseling werd er door enkele kwezels in de gemeente naar voren gebracht dat ze fietste, dat ze iets kortere rokken placht te dragen dan algemeen gebruikelijk, dat ze daarbij vleeskleurige Fil d’Ecosse kousen droeg en jurken en blouses met een – bescheiden – punthals in plaats van hooggesloten exemplaren….. “Het is een hupse, Brabantse verschijning,” werd er opeens gezegd, “een twijfelgeval, en zolang Meester Van der Wiel op de vorige school een vaste aanstelling had, was er nèt niet genoeg aanleiding om die voor zoiets te onderbreken, maar nu het uiteindelijk om een nieuwe benoeming gaat……” Als klap op de vuurpijl werd vervolgens ook nog het schoolgaan van de oudste kinderen op die vermaledijde openbare H.B.S. in Hoorn erbij gehaald, wat, naar men vermoedde, “vooral op initiatie van Juffrouw van der Wiel was gebeurd.”

Dat alles tenslotte nog ten goede gekeerd werd, neemt niet weg dat dit voor Jan en Fien een waarschuwingssignaal geweest moet zijn bepaalde dingen niet op de spits te drijven: Het kon de genadeslag betekenen voor Jan’s nieuwe benoeming als ze hun jongste kind nu wéér naar Hoorn stuurden. Tóch moest en zou ze een opleiding krijgen, die haar toegang zou verschaffen tot de kweekschool: ze was hun laatste kans. Als zij geen onderwijzeres werd, zou de laatste kans verkeken – en met een (in hun ogen) oh zo waardevolle traditie gebroken zijn. Dat èn het feit dat ze de indruk hadden gekregen dat Miep behept was met eenzelfde natuur als Cis, dus dat de kans er in zat dat het zonder speciaal toezicht tóch weer fout zou kunnen gaan, moet hen tenslotte de knoop hebben doen doorhakken: Het benodigde geld werd op alle denkbare manieren bijeen geschraapt en Miep werd, voor de tijd van vier jaar, afgevoerd naar de nonnen in Oirschot.

Wat er vervolgens plaatsvond zou nú onvoorstelbaar zijn, maar tóen nog schering en inslag: Miep kon op die kostschool absoluut niet aarden en verging van heimwee. Iedere zomervakantie kwam ze verzwakt, vermagerd en doodziek thuis, omdat ze daar slecht kon eten en daarnaast voortdurend malaria opliep. Dan vingen haar ouders haar op, stopten haar in bed, lieten haar een tijdlang aansterken, bijkomen……en stuurden haar aan het einde van de vakantie doodleuk weer terug! Vier jaar lang trotseerden ze de aanblik van een verzwakt, vermagerd en telkens weer koortsig kind, zónder de ingeslagen koers te wijzigen! Het blijft gissen naar hun beweegredenen in deze, maar waarschijnlijk handelden ze voor een belangrijk deel uit onmacht: Onmacht tegenover de plotseling opgedoken roddeltongen in het dorp, die bijna Jan´s hernieuwde aanstelling – en daarmee zijn broodwinning en hun dak boven het hoofd verloren hadden laten gaan – en die niet aan nieuwe stof voor praatjes geholpen mochten worden. Onmacht ook tegenover de nonnen: Het was eenvoudig een ondènkbare stap om die duidelijk te maken dat je je kind niet langer aan ze wenste toe te vertrouwen; dat dééd je niet. Nooit. Dus telkens, telkens weer heeft het arme kind, zoals gezegd, weer terug moeten gaan. Víér jaar lang! Ze heeft het overleefd, ze ís naderhand onderwijzeres geworden, ze is getrouwd, heeft vijf kinderen gekregen….. maar is doodgewoon een vréémd mens geworden met een latent sluimerende wrok jegens alles en iedereen. Ik heb het nooit echt met haar kunnen vinden, maar ik ben me wel bewust van de hoofdoorzaak dat ze zo geworden is. Mijn grootouders mogen dan niet bewust te kwader trouw gehandeld hebben, het was niettemin een fout van ze. Een héél grove fout. Die overigens, helaas, in die tijd herhaaldelijk gemaakt werd, in het bijzonder door ouders van katholieke huize, psychisch gebonden als die waren aan alles wat met de oppermachtige kerk te maken had.

Thuis, intussen, zag Leonie het allemaal aan. Ze begreep dit niet. Dít was één van de zeldzame dingen van haar ouders die ze niet begreep: Dat ze niet over de wilskracht bleken te beschikken om déze verkeerd genomen beslissing terug te draaien. Luisterend naar de verhalen die Miep bij haar kwijt kon, ontwikkelde zich bij haar óók een vreselijke weerzin tegen alles wat nón was. Haar hele leven zou ze gelovig blijven, tot en met de jaren ’80 zelfs actief in de kerk als collectrice en met andere soorten vrijwilligerswerk, maar van een páár aspecten zou ze weinig tot niets meer willen weten en daar waren nonnen er één van.

Ze bleek trouwens evenmin warm te krijgen voor katholieke vrouwen/meisjes-bewegingen als “De Graal” en “de Vrouwen van Nazareth,” die na 1928 tot bloei begonnen te komen: Lekenbewegingen, die theatraal de katholieke boodschap ‘op strijdbare manier’ uitdroegen. Het was een nieuw fenomeen dat de kans gekregen had na de intrede van de voor die tijd redelijk progressieve bisschop Aengenent, opvolger van de aartsconservatieve bisschop Callier, onder wiens pontificaat het bisdom Haarlem zo’n 25 jaar mentaal stil gelegen had, maar eenmaal onder het bewind van Aengenent in zekere zin was overgegaan van stilstaan in hóllen: De nieuwe bisschop, die zich onder anderen ook voor de katholieke Verkennerij interesseerde, voerde tegelijkertijd de supervisie over de nieuw op te richten vrouwenbewegingen, in eerste instantie een initiatief van priester-professor Van Ginneken, die zijn geesteskind in die tijd enthousiast promootte met behulp van alle toen denkbare media – al waren dat er nog niet veel: Radio, katholieke dag- en weekbladen en enkele propagandafilmpjes voor in de bioscoop; daarmee waren de beschikbare middelen wel uitgeput. En uiteraard werden de parochie-herders, de pastoors dus, geacht af en toe het lidmaatschap te promoten. Pastoor Van Oostwaard in De Weere kwam er nog speciaal Leonie over polsen, of beter gezegd: Moeder Fien met betrekking tot Leonie, want zo ging dat toen nog steeds: Recruteren, voor wat dan ook, gebeurde, zeker in eerste instantie, over de hoofden van de minderjarige kinderen heen, ook al waren die, zoals in dit geval, inmiddels vijftien. Enfin, Leonie liet zich overhalen om één keer bij “De Graal” te gaan kijken, waarna, wat haar betrof, het boek voorgoed gesloten was: Compleet walgend kon ze jaren later nóg verhalen over de – in haar ogen – zinloze ondernemingen, de ‘afschuwelijke’ uniformen en de opgeklopte, hysterische sfeer!

Begrijpen deed ik dat toen wel, en nu nóg: Het zou evenmin iets voor mij geweest zijn, net zomin als welke onderneming dan ook die is gebouwd op het principe van “vrouwen onder elkaar.” Toch moet mij van het hart dat ik, na er nu alweer jaren geleden eens een televisiedocumentaire over gezien te hebben, wèl iets positiefs ben gaan zien in het initiatief, zeker in de context van die tijd: In die documentaire zaten ook een paar promotietoespraken van professor Van Ginneken himself, op oud filmmateriaal en goed, de man was natuurlijk een dweper, zoals zoveel priesters in die tijd – jaren ’30. Niettemin had de positieve manier waarop hij over vrouwen, júist over vróuwen, sprak, iets heel vernieuwends en verfrissends en presenteerde hij zichzelf aldus als één van de zeer weinige geestelijken in dat tijdvlak die ervan overtuigd waren dat vrouwen metterdaad iets naar buiten toe konden uitdragen. Sterker: Dat ze dat góed konden; beter dan mannen! Realiteit of niet, dat betekende toch ergens wel weer een doorbraak!

Intussen was Cis definitief ‘onder de pannen’ geraakt, naar ik aanneem tot opluchting van mijn grootouders. Wat ze in de tussenliggende jaren, na van de H.B.S. ‘gesjeesd’ te zijn, precies heeft uitgevoerd, is niet zo duidelijk; vermoedelijk wat ongeschoolde baantjes hier en daar. Hoe dan ook kwam er in 1932 op de nieuwe school in De Weere – gemeente Sijbekarspel – een kwekeling-in-het-laatste-jaar, een zekere Wenceslaus (“Wence”) Rupert, een paar jaar ouder dan zij, afkomstig uit de omgeving van Purmerend. Hij had alles in zich om een schoolmeester van de gedegen, ouderwetse soort te worden en viel direct in de smaak bij Jan. Ook wel bij Cis, trouwens, of dat nu louter uit hartstocht was, of omdat ze ergens wel begreep dat ze er werk van moest maken om haar toekomst te verzekeren, zeker nu het niet door een gedegen, betaalde baan zou zijn. Trouwen was bovendien tóch nog steeds de eerste bestemming van een vrouw, waarna die baan dan weer automatisch “aan de wilgen” gehangen zou worden, dús…… Ze was intussen 21, in tegenstelling tot moeder en Leonie blond en blauwogig, maar wèl knap en daarnaast levendig en origineel. Het duurde niet lang voor Wence toe zou happen: Hij was al spoedig wèg van haar! Na hun huwelijk in ’33 vestigde het jonge stel zich in de Lyceumstraat in Alkmaar, waar de energieke jongeman, naast zijn werk als onderwijzer, doorstudeerde om verschillende akten voor het middelbaar onderwijs te behalen: Gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw zouden verschillende Alkmaarders kunnen verklaren in het voortgezet onderwijs nog Frans en wiskunde te hebben gehad van “Mijnheer Rupert.” “De ‘gummi-nikker,’” zoals de vader van een schoolvriendin van mij zich lachend herinnerde: Die bijnaam had Wence te danken aan het feit dat hij zelfs wel gymnastieklessen gaf en op bewonderenswaardige wijze met de rekstokken overweg bleek te kunnen.

Ze zouden zeven kinderen krijgen en bij al die kinderen is Leonie méér dan gemiddeld betrokken geweest. Dat kwam namelijk zó: Hoewel Cis elke keer weer de bevalling goed doorstond en van de zwangerschappen ook voorts niet veel last had, begon ze steevast met drie maanden te ‘vloeien,’ zoals ze tussentijdse bloedingen toen nog half-versluierd noemden. Prompt werd ze dan door de huisarts, die een dreigende miskraam vreesde, tot onbepaalde tijd bedrust veroordeeld, waarop er toch iemand moest “inspringen” ten behoeve van het huishouden en na verloop van tijd ten behoeve van de verzorging van steeds meer kinderen. En onnodig te vermelden dat er dan in eerste instantie gekeken werd naar het nog steeds ongetrouwde zusje, dat de meeste tijd werkeloos, dus ‘ledig’ thuis zat. Een al te goede verstandhouding was er niet tussen de beide zusters, maar daarover werd niet gesproken: Het was eenvoudig een uitgemaakte zaak dat Leoníe zich hiervoor beschikbaar zou stellen, dus dat dééd ze, vaak wel gedurende de volledige periode vóór en ná de bevalling. Zelfs voor dag en nacht, wat dan ook steeds noodzakelijker werd, met het oog op de voortschrijdende gezinsuitbreiding. In 1934 zou het eerste kind, Tiny, geboren worden en de dag waarop de eerste tekenen van de naderende bevalling zich aandienden en de baby misschien al vóór de andere morgen zou worden verwacht – alle zeven zijn ze, tussen haakjes, thuis geboren – verordonneerde Wence nogal gedecideerd: “Leo, jij gaat vannacht bij de buren slapen,” wat bij zijn schoonzusje bepaald niet in de smaak viel; ze vond het erg overdreven. Later is ze altijd blijven vermoeden dat Cis erachter zat, omdat die bang was tijdens de bevalling erg tekeer te zullen gaan, en niet wilde dat zij daar iets van meekreeg. Bij alle volgende bevallingen zou de maatregel trouwens niet meer aan de orde zijn: Waar sprake was van aanwezige kinderen móest er wel constant iemand aanwezig zijn voor de verzorging en opvang tussendoor, omdat vader Wence, als een echte man van zijn tijd, zichzelf intussen had weten in te prenten “dat zijn handen daarvoor verkeerd stonden.”

Zus Miep, intussen onderwijzeres geworden, trouwde in 1939 eveneens, met een collega-onderwijzer die Gerard Zijp heette. Erg veel steun zou ze, tijdens hun huwelijk, overigens niet hebben aan deze man, die een zwakke gezondheid had (wat hij trouwens bij tijd en wijle óók aardig wist uit te buiten), zodat de meeste beslommeringen bij háár terecht kwamen. In eerste instantie vestigden ze zich in Heemskerk, later eveneens in Alkmaar, in de Hofdijkstraat. Ze kregen zes kinderen, waarvan de jongste met zes maanden overleed. Bij hun gezin raakte mijn moeder echter minder betrokken – hoewel zij en haar latere echtgenoot, Huub, door vrijwel alle kinderen Zijp tot hun “fijnste” oom en tante werden verklaard – doordat ze tot zeker eind jaren’40 opgeslokt zou blijven worden door dat àndere gezin van Cis.

Intussen zat ze bijna doorlopend zonder werk en lukte het vinden van een ‘vrijer’ ook al niet erg. Terwijl ze, zoals gezegd, het evenbeeld van háár moeder, Fien, was en dus beeldschoon. Maar waarschijnlijk was ze te geremd, of, wat ook nog mogelijk is, té mooi, wat de niet al te wereldwijze plattelandsjongens onzeker maakte. En wat werk betrof: daarmee viel ze ook al tussen wal en schip: Dat ze niet had doorgeleerd, mocht op zichzelf geen uitzondering heten, maar meiden die in hetzelfde schuitje zaten, kwamen doorgaans uit arbeidersmilieus en konden onder bezwaar ergens een “dienstje” aanvaarden, wat er voor haar niet in zat. Zelfs winkeljuffrouw, als die gelegenheid er al ergens in de omgeving geweest zou zijn, zou van Jan waarschijnlijk niet gemogen hebben: De goede man had op bepaalde punten zijn trots, al nam hij vervolgens niet altijd de goede beslissingen. Om zijn dochter wat omhanden te geven, liet hij trouwens in de school nog eens een tijdlang een “bewaarschoolklasje” inrichten, waar ouders met schoolgaande kinderen desgewenst ook hun jongere kroost kwijt konden – niet verplicht, natuurlijk. Het vond wel enige aftrek: Alle moeders in het dorp hadden wel van die drukke dagen waarop ze “blai” waren ” ’t kloine spul” samen met het grote een tijdlang van de vloer te hebben, maar ’t gaf toch niet echt vastigheid en de verdiensten bleven gering. Overigens deed mijn moeder het gráág: Ze is altijd heel goed geweest met kleine kinderen; die appelleerden aan haar voorkeur voor ‘onschuld.’ Met het andere uiterste, tieners, moest je haar nooit opzadelen, maar zolang het peuters en kleuters betrof, legde ze een natuurlijke gave – en eindeloos geduld aan de dag om ze te bemoederen, het moet gezegd!

In 1938 trok ze de stoute schoenen aan door een betrekking als kindermeisje te aanvaarden in Amsterdam. Een moedig besluit voor een plattelandsjuffrouw van 23, voor wie Alkmaar aanvankelijk al ‘een andere wereld’ was geweest. Jan en Fien hielden dan ook in zekere zin hun hart vast, maar gaven hun toestemming (die ze op haar 23ste normaal gesproken niet meer nodig had, maar ja, hoe ging dat nog, in die tijd….), omdat het tenminste voor het eerst hun dochter de kans bood om een vast salaris te verdienen. Ontelbare raadgevingen van de ene en toezeggingen van de andere kant, en Leonie kon naar Amsterdam. ….Om krap twee maanden later het bijltje erbij neer te gooien.

De betrekking was bij het gezin Hardt, een Duits-Joodse familie die Duitsland al een paar jaar geleden was ontvlucht, en, voordat deze of gene lezer op zijn achterste benen gaat staan: De reden, dat mijn moeder het er niet lang uithield, was uiteraard niet dat het Jóden waren, dat had er op zichzelf niets mee te maken, maar mogelijk wel dat het gewoon mensen waren die verschillende dingen niet op de goede manier aanpakten: De twee kinderen voor wie zij een kinderjuffrouw nodig hadden, een jongen van acht en een meisje van anderhalf, waren allebei reeds tot op het bót bedorven, wat de hoofdoorzaak genoemd kon worden van de ondoenlijke situatie, maar de werkomstandigheden waren eveneens chaotisch: Leonie was het grootste deel van de dag bezig met de verzorging van de kleine Ellen, die nog geen begin van zindelijkheidstraining gehad had en amper een woord sprak – hoewel hieruit niet opgemaakt mag worden dat ze achterlijk was, want dat was ze, volgens mijn moeder, om de duvel niet; alleen maar eigenzinnig en geraffineerd: Om vrijwel alles zette ze direct een keel op – zonder tranen, waarop de kinderjuf het vanzelfsprekend gedaan had. De huishouding was chaotisch en disfunctioneel en ergens werd er stilzwijgend nog verwacht dat “Juf” ook dáárin orde zou scheppen, hoewel dat niet tot haar taken behoorde. Zoals mevrouw Hardt zelf in huiselijke ordening feitelijk niet veel inzicht had, zo hadden zij en haar man trouwens wel meer niet door: Ze hadden bijvoorbeeld, behalve “Joef Leonie”, nog een dienstbode in huis, Paula, die ze doodleuk uit Duitsland hadden laten overkomen! Paula was een meesteres in het stroopsmeren en ondanks dat mijn moeder uit flarden van gesprekken hier en daar wel opving dat de Hardts van verscheidene kanten werd aangeraden om haar op te zeggen, omdat ze mogelijk door de Arbeitseinsatz was gestuurd om te spioneren, dàchten ze daar niet aan. Wat ze na mei ’40 opgebroken heeft! Dat vernam mijn moeder echter pas achteraf. De Hardts hielden zich werkelijk doof en blind voor alles: Zo achtten ze het, hoewel ze dat door sommigen werd aangeraden, evenmin nodig om door te reizen naar Amerika – Holland was immers neutraal, dus waarom zouden ze – en gingen ze, toen mijn moeder er zo’n vijf weken in dienst was, mèt medeneming van dienstbode en kinderjuf, op vakantie naar een hotel in Noordwijk, dat nota bene door Duitsers werd geëxploiteerd!

Een paar keer gebeurde het, als het gezin zich toevallig even buiten gehoorsafstand bevond, dat de eigenaresse Leonie medelijdend aanschoot: “Ze buiten U wel uit, hè? Wacht maar, Hitler zal ze wel krijgen, die Joden!” (hoewel mijn moeder zelf zwartharig was, moet het mens ergens aan bespeurd hebben dat ze niet Joods was, misschien aan haar gelaatstrekken). Het waren onheilspellende voortekenen, maar de Hardts hadden totaal niets in de gaten.

Dat door hun inconsequente opvoeding – als deze al die naam verdiende – hun kinderen ook steeds meer werden verpest, zo, dat “Joef” daar niets aan kon verhelpen, hadden ze evenmin in de gaten. De bom barstte tenslotte toen mijn moeder de achtjarige Henri iets verbood, waarop hij haar, zodra ze hem de rug had toegekeerd, van achteren aanviel en haar schopte en trapte, waar hij haar raken kon! Er waren meerdere personen voor nodig om hem van haar af te trekken. Dat was de druppel die de emmer deed overlopen en ze vertrok onmiddellijk. Toen ze na de oorlog nog eens probeerde nader te informeren, kwam ze aan de weet, dat de hele familie na de februari-staking van ’41 met één van de eerste transporten was afgevoerd……

Hoe dan ook kwam Leonie’s voortijdige, maar tevens behouden thuiskomst in zoverre als geroepen dat ze vrijwel onmiddellijk weer ‘aan de bak’ kon bij Cis, die inmiddels weer in verwachting was van haar derde kind, José, of de duvel ermee speelde mèt de raadselachtige, tussentijdse bloedingen ( die, als men het mij vraagt, achteraf misschien wel gewoon relatief onschuldige ‘contactbloedingen’ waren, die zich voordoen als tijdens de zwangerschap het echtelijk verkeer niet wordt opgeschort, maar die verder niet duiden op een dreigende miskraam. Maar wisten ze toen véél……) Het leven nam, met andere woorden, ogenschijnlijk weer zijn normale gang. Nóg vermoedde men niets van wat de wereld, nog geen twee jaar later, te wachten zou staan en welke veranderingen dat teweeg zou brengen…….

(Wordt vervolgd)

Door: Theresa Geissler.

Oorspronkelijk geschreven voor: ejbronwordpress.com

LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (deel 2)

Screenshot_13

(Door: Theresa Geissler)

(De nu volgende serie van zes artikelen is bij uitzondering geen Duitse actualiteit, maar Nederlandse historie.

Hij ontstond in de jaren, waarin ik reageerde, vertaalde en publiceerde op de site van E. J. Bron. Na rijp beraad besloot ik, hem in zijn geheel naar Theresa’s Visie over te brengen: Het is de geschiedenis van mijn familie, waardoor ik hem beschouw als mijn eigendom en dat van deze site. Hier Deel 2)

Lees HIER deel 1 van de kroniek.

Veilig thuis voor de kinderen van de Rotterdamse ‘burgerwees’

De onderwijzeres van de parallelklas, die ons in wat ooit “groep 7” zou gaan heten geschiedenisles gaf, liet tijdens de les eens vallen: “Wezen – want die waren er vroeger veel meer dan nu doordat veel mensen door verschillende oorzaken jonger stierven……” En dat klopte als een bus, want het was tevens het lot dat mijn grootvader van vaderskant, Bertus van der Kaaij (1885-1946) ten deel gevallen was. Toen zijn ouders – hij was toen zo’n drie jaar oud en zijn broer Koos vijf – kort na elkaar stierven en niemand van de overige familie bereid of misschien eenvoudigweg in staat bleek om de kinderen definitief bij zich in huis te nemen, belandden beiden tot hun volwassenheid, of tenminste tot hun “arbeidzame jaren”, in het Rotterdamse Burgerweeshuis. Voor een kind natuurlijk geen voordelige start.

Hoe ze het daar hadden? Volgens zijn vierde kind en tweede zoon Huub (1914-1993), tevens mijn vader, praatte hij daar eigenlijk nooit over, wat natuurlijk geen al te gunstig teken mocht heten. Leuk zal het waarschijnlijk allesbehalve geweest zijn, al hadden de broers mogelijk nóg geluk gehad dat ze in Rotterdam ingeschreven waren geweest en niet in Den Haag: in dat geval was het, op grond van hun katholicisme, waarschijnlijk Groenestein geworden, een Rooms-Katholiek weeshuis, dat intussen al jaren geleden afgebroken is, maar dat tot op heden qua regime een grúwelijke reputatie met zich meedraagt, die weerklinkt tot ver buiten het Haagse. Dat was bij het Burgerweeshuis Rotterdam tenminste niet zozeer het geval, dus èrger is het daar althans niet geweest. Menigeen van de generaties van de late 19de- en de vroege 20ste eeuw, die om wat voor reden dan ook onder de hoede van de paters, broeders en nonnen kwam te vallen, leerde met de jaren te berusten in het besef: dit gaat ook weer voorbij. Ze hadden wat dat betrof goede voorbeelden aan hun oudere lotgenoten, die, zodra ze geacht werden voor zichzelf te kunnen zorgen – en dat was vaak al vóór het bereiken van de meerderjarigheid – uit het Weeshuis ontslagen werden (als het meezat “met lof”) en dan gaandeweg in staat bleken een normaal, gemiddeld bestaan op te bouwen.

Want als er nu eens iets was waarin Nederland in die tijd gunstig afstak bij diverse buurlanden, dan was het in zekere zin het wezen-beleid: een wees moest worden beschouwd als het “kind” van de gemeente waar het was ingeschreven. Die gemeente was verantwoordelijk voor hem/haar, wat inhield dat een burgerwees níet zomaar, vanaf zijn tiende, elfde jaar de fabriek in gestuurd mocht worden, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk en Engeland nog regelmatig gebeurde, en, ironisch genoeg, in Nederland met kinderen uit paupergezinnen, ook al hadden die allebei hun ouders nog – die ze zèlf daarheen stuurden. De Nederlandse burgerwees diende van Staatswege in ieder geval het lager onderwijs af te ronden, waarna hij een gedegen leerplek binnengeloodst moest worden teneinde een echt vák te leren. En dat was ook de praktijk! Jaren geleden las ik ooit het relaas van een kloosterling die zelf burgerwees geweest was en aanvankelijk, jaren voor zijn intrede, het timmermansvak had geleerd. Hij benadrukte dat het weeshuis, zolang je daar tijdens je vakopleiding nog woonde, volledig zorg droeg voor je ‘kost’ tussen de middag en dat zijn maats op de timmerwerkplaats ópgekeken hadden van zijn stevige lunchpakket èn de fles karnemelk die hij elke dag weer mee kreeg. “Dat was echt prima voor mekaar; ze stonden er verbaasd van zo goed als wij het hadden!”

Dus met een beetje geluk is dat ook de situatie geweest, waarin mijn grootvader Bertus zich bevond: aan liefde en huiselijke gezelligheid zal het hem vrijwel zeker ontbroken hebben, maar niet aan goede zorg. Bertus koos voor het kleermakersvak en werd opgeleid tot een goede vakman, zoals wel bleek uit de betrekking die hij na enige jaren ‘aftasten’ wist te bemachtigen: de betrekking namelijk van kleermaker bij het Rotterdamse politiekorps, belast met de vervaardiging, reparatie en het onderhoud van de politie-uniformen. Want dat was nog helemaal niet zo’n gek baantje: het viel onder de ambtenarenwet, wat een vast basisinkomen betekende, met daar bovenop nog provisie voor elk geleverd uniform plus te zijner tijd recht op pensioen; menige kleine zelfstandige kon daarvan slechts dromen! En tegelijkertijd waren Bertus’ arbeidsomstandigheden vrijwel gelijk aan die van een zelfstandige: hijzelf mocht zich, als ‘de vakman,’ de baas van het atelier noemen en bepaalde zich daarom ook grotendeels tot het echte ‘vakwerk,’ met andere woorden: het maat nemen en knippen. Het in elkaar naaien liet hij de meeste tijd over aan zijn vaste assistent – lange tijd ene Japie van Houten – en dan had het atelier nog een paar vrouwen in dienst voor was-, strijk- en verstel werkzaamheden. Na de minder gunstige start als burgerwees was Bertus van der Kaaij uiteindelijk toch maar mede dankzij die start qua bestaan niet in het proletariaat, maar in de kleinburgerij beland!

Bertus trouwde met Jans Sliedrecht, een boerendochter van de Zuid-Hollandse eilanden. Waarschijnlijk was haar familie één van de weinige rooms- katholieke families in een overigens fijn-gereformeerde streek: als je het had over een ‘biblebelt’: dat was er één! En de aldaar woonachtige katholieken werden door die geest van ‘fijnheid’ onwillekeurig beïnvloed: nergens bekrompener, humorlozer katholieke gemeenschappen te vinden dan de enclaves binnen de biblebelt. Die gemeenschappen leken dan ook nóg minder op “Het Roomsche” in Brabant en Limburg dan die in het neutralere Noord-Holland, of, pak ‘m beet, het meer ‘stadse’ katholicisme in steden als Amsterdam en Rotterdam. Hoe en waar de boerendochter Jans Sliedrecht en de Rotterdamse ‘burgerwees’ Bertus van der Kaaij elkaar ontmoet hebben, heb ik helaas nooit behoorlijk nagevraagd, zodat dit nu niet meer kan worden achterhaald. Hoe het wat tussen hen kon wórden valt, met enige feitenkennis, echter wel te beredeneren: Jans had een broze gezondheid en was daarnaast behept met een overerfelijk spasme, dat alleen bij vrouwelijke familieleden tot uiting kwam – en kómt; ikzelf ben er een tamelijk zichtbare variant van. Kenmerken zijn in ieder geval: evenwichtsstoornissen en een minder goede handvaardigheid, dus het moge duidelijk zijn dat dit alles bij elkaar niet direct bijdroeg om haar geschikt te maken voor een leven als boerin, ook al zat er aan haar kant inderdaad wèl geld. Dat er zich van onverwachte – stadse – zijde toch een gegadigde voor haar aandiende in de vorm van een weliswaar onbemiddelde, maar fatsoenlijke burgerjongen met een degelijke, half-ambtelijke positie moet voor haar familie zo al geen geschenk uit de hemel, dan toch in elk geval een oplossing betekend hebben: iemand als Jans was gewoon het beste af met een niet al te veeleisend bestaan in een ‘gesloten’ burgermanswoning in de grote stad, waar ze alle nodige voorzieningen bij de hand had. Vandaar waarschijnlijk dat de ouderlijke zegen zonder veel tegensputteren werd verleend.

Net als de ouders van haar, die later hun schoondochter zou worden, trouwden Bertus en Jans in 1907 en net als zij zouden ze vijf kinderen krijgen, zij het dan ook in de omgekeerde sekse-verdeling: Twee dochters en drie zoons. Ook de geboortedata liepen niet ver uiteen vergeleken met die in dat andere gezin; wel iets, daar de jongste drie onderling nog geen twee jaar met elkaar scheelden. Maar hoe dan ook kwamen Johanna (1909), Stefanus (1911), Anna (1913), Hubertus (1914) en Walter (1916) allen zonder noemenswaardige complicaties ter wereld en zouden hun ouders ook hier geen van hen voortijdig hoeven afstaan. Dus dat was andermaal een teken van voorspoed en welstand. Het eerste adres van het gezin, waar het alles bij elkaar zo’n kleine 25 jaar zou wonen, was het benedenhuis Kleinkoolstraat 35A. Niet echt afgelegen, wat ik me ervan herinner, maar kennelijk nèt genoeg van het centrum verwijderd om bij het bombardement op Rotterdam, in mei ’40, te worden gespaard. Mijn vader Hubert (of Huub) nam mij als twaalfjarige namelijk ooit eens een hele dag mee naar Rotterdam – uitzonderlijk, work-a-holic als hij was – om die speciale, nostalgische plekjes uit zijn jeugd te tonen en daar stónden wij op een gegeven moment: recht tegenover het pand Kleinkoolstraat 35A. Bij diezelfde gelegenheid kreeg ik trouwens ook nog een meer centraal gelegen plaats te zien, die als door een wonder in mei ’40 eveneens de dans ontsprongen was: de Haarlemmerstraat, waar Marie, de werkster van de familie, had gewoond: een schilderachtig volksbuurtje, waar je een trapje af moest om er te komen, en dat één en al souterrain-sfeer ademde.

Ja, moeder Jans had een werkster en dat niet alleen: zeker totdat alle kinderen de tienerleeftijd bereikt hadden, had ze daarnaast ook een “grote” dienstbode, Katrien, weliswaar niet inwonend, maar toch zeker zes dagen per week in ‘dagdienst.’ – het heette dat dit wel moest met het oog op de zwakke gezondheid van ‘moeder’ – tja, dat zou dan wel. Niettemin moet worden opgemerkt dat ze haar echtgenoot, die op latere leeftijd een hartkwaal kreeg, ruimschoots heeft overleefd, ook al heb ik ze geen van beiden meer gekend. Maar goed: een dienstbode en een werkster, en dat in de jaren ’10 en ’20, ze dééd het niet minder! Op die manier mocht het dan ook geen verwondering wekken dat ze het klaarspeelde naar wat ik ervan begrepen he- om zich algemeen “Mevrouw” van der Kaaij te laten noemen, waar getrouwde vrouwen binnen de kleine middenstand het in die tijd vaak nog steeds met de aanspreekvorm “Juffrouw” moesten doen. Maar daar kan dus ook wel het ambtelijke tintje aan de betrekking van vader Bertus toe bijgedragen hebben: zoiets kon het nodige uitmaken in een tijd, waarin de maatschappelijke grenzen nog scherp waren afgebakend.

Zo in het begin van de jaren ’20, toen de twee jongsten van het gezin, Huub en zijn anderhalf jaar jongere broertje Walter, vijf-en-een half en vier jaar oud waren, mocht Katrien ze overdag wel eens mee uit wandelen nemen. Dan liepen ze, keurig uitgedost met matrozenpakjes, “Haarlemmers” (knoopschoenen) en ronde strohoedjes, met haar richting Noordsingel, waar het kleermakersatelier gelegen was, tussen het politiebureau en het Huis van Bewaring. Daar bleven ze staan, aan de overkant van het Haagse Veer. Meestal werden ze daar dan het eerst opgemerkt door Japie, die steevast met z’n naaiwerk voor het raam zat, formeel “vanwege het licht,” maar feitelijk vooral omdat hij het niet laten kon om elke twee, drie steken een blik naar buiten te werpen, of, zoals zijn baas, Bertus, het zelf uitdrukte: “Die ziet een luis over het Haagse Veer gaan!” Inderdaad zag je hem vervolgens iets zeggen tegen iemand in het vertrek, waarop vader zèlf aan het raam kwam en naar hen zwaaide. Meestal wenkte hij dan meteen: ze moesten even oversteken en boven komen. Eenmaal boven, kregen ze dan ieder een dubbeltje voor een ijsje! Op dat punt in de jeugdherinnering aanbeland onderbrak ik, die intussen door mijn moeder al terdege was ingelicht over de betekenis van centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes in die tijd, hem met de woorden: “Elk een dubbeltje? Tjé, jullie waren ook niet echt arm, hè?” – ik had dat intussen uit méér dingen kunnen opmaken, maar die dubbeltjes spraken op dat moment het meeste tot de verbeelding. Hier glimlachte mijn vader een beetje vaag, waarop hij toegaf: “Nee…..we hadden het niet slecht.”

Nu is alles betrekkelijk, want bij een andere gelegenheid wist mijn moeder, die een periode gekend heeft waarin ze bijna ziekelijk de pest had aan alles wat met haar schoonfamilie te maken had, me weer haarfijn uit te leggen dat dit alleen maar kwam ‘omdat de Van der Kaaijen geen benul van sparen hadden.’ “Alles moest altijd op: als dat mens” (haar schoonmoeder dus) nog maar één gulden in huis had, werd hij uitgegeven aan bórstplaat bij de koffie!” (op een toon alsof het de grootste halsmisdaad betrof). Ach, ja, de waarheid lag waarschijnlijk ergens in het midden.

Eén van de zeer weinige aspecten van het weeshuis die vader Bertus kennelijk wèl als positief en zelfs zinvol ervaren had, zelfs zó dat hij de gewoonte in het eigen gezin introduceerde, was het wekelijkse “marcheren:” elke zondagavond in de gang. Hijzelf stampte met een wandelstok op de vloer om het ritme aan te geven en hield de tel bij, en alle kinderen, zodra ze er groot genoeg voor waren, deden er aan mee. Wie het meest zijn best deed, zo heette het, won na afloop het grootste stuk borstplaat (daar schijnen ze in Huize van der Kaaij wel èrg dol op geweest te zijn!), maar daar kwam volgens mijn vader in de praktijk nooit iets van terecht, omdat er onuitgesproken altijd naar lééftijd verdeeld werd. “En je tante Jo was de oudste, dús…..” Achteraf bekeken vermoed ik dat Bertus die verdeelsleutel óók onwillekeurig van het weeshuis overgenomen had, maar op het moment dat het verteld werd, weet ik nog, voelde ik me heimelijk tevreden, omdat hier de jongens klaarblijkelijk níet voorgetrokken werden boven de meisjes, want daar was ik in die tijd erg alert op.

Eigenlijk had Huub, mijn vader, alles bij elkaar niet zo erg veel te vertellen over zijn jeugdjaren, niet zoals je dat van de gemiddelde Hollandse kwajongen verwacht. Maar feitelijk wás hij dat dan ook niet. Op de vraag, of hij ooit van Pietje Bell had gehoord, klonk het direct volmondig: “Natuurlijk! Welke normale, Hollandse knul heeft Pietje Bell niet gelezen?” Dat was achteraf het signaal dat hij het lézen onbewust in de plaats stelde van het beléven, bij gebrek aan beter. Want beléven deed hij niet veel. Moeder Jans had tóch al de neiging om al haar kinderen een angstig-bezorgde opvoeding te geven, tuttig en daarbij doordrenkt van het biblebelt-katholicisme, en van haar drie zoons was Huub degene die zich daar het minst onderuit wist te worstelen. Zijn jongste broer Walter, hoewel die in principe dezelfde opvoeding kreeg, kon dat veel beter: die trok er eigener beweging nog op uit, naar vrienden en ondernam nog wel iets: zoals, bijvoorbeeld, het met een paar makkers oprichten van de “Blubberclub”, zo genoemd, omdat ze hun clubhuis uitgerekend hadden gevestigd op een stuk land, opgespoten met blubber, zodat hij na elke vrije middag totaal ontoonbaar thuiskwam en hij niet aan tafel mocht komen, omdat allereerst zowel zijn kleren als hijzelf in het sop moesten. (hoe zijn ouders daarop reageerden, vernam ik eigenlijk nooit; Katrien zal er wel goed voor geweest zijn.) Maar waar het om gaat, is dat Huub, hoewel hij duidelijk voor dat soort dingen wel bewondering had – want dat merkte je aan de manier waarop hij er over sprak – ze zelf niet deed. Hij was het jongetje dat het meeste thuis zat, dat, zoals gezegd, over dat soort zaken lás in plaats van ze te dóen. Het kind ook dat zich gedwee door zijn moeder mee liet tronen naar het lof en door haar met de pastoor liet regelen dat hij misdienaar werd. Dat ze, het meest van de drie, ertoe kon bewegen “misje te spelen” met het mooie altaar met toebehoren dat de jongens op hun kamer hadden staan. Moeder Jans, zoals wel meer dweepzieke, katholieke moeders van die tijd, hoopte in alle ernst op deze manier haar zoons warm te maken voor het priesterschap. Uiteindelijk zonder resultaat, al is Stef, de oudste zoon, als enige nog een blauwe maandag op het klein-seminarie geweest. Bij Huub kwam het niet eens zo ver, al leek hij qua persoonlijkheid nóg zo de meest hoopgevende op dit gebied.

Slechts één keer is het gebeurd dat hij zichzelf vergat, doordat hij tijdens een ruzie met een mede-misdienaar driftig werd en nog vóór de dienst naar huis gestuurd werd wegens het slaan met superpli’s (koorhemden) in de sacristie. Omdat hij niet meteen naar huis durfde, zat hij eerst de mis uit op de achterste kerkbank, waar de pastoor, tijdens de rondgang in de processie, hem wel zag zitten en de resterende tijd door de kerk liep met een nauwelijks verholen grijns op zijn gezicht. En tegen ontdekking door het thuisfront hielp het ook al niet, doordat stomtoevallig broer Stef eens in de kerk had gezeten, die Huub’s afwezigheid bij de processie intussen alweer had gemeld. Een week huisarrest, waarna hem door vader Bertus werd bevolen naar de pastorie te gaan en zijn excuses te maken bij de pastoor…..die inmiddels het hele voorval alweer vergeten bleek te zijn. Alles bij elkaar een flut-gebeurtenis, die door mijn vader later alleen maar breeduit werd opgedist bij gebrek aan ‘hartiger’ jeugdherinneringen.

Misschien was het wel daarom dat hij destijds tevens met verve heeft verteld hoe hij op zijn 16de nog eens zwaar ziek werd en wat daar allemaal aan vastzat: hij zat in het laatste jaar van de vierjarige MULO – want alle kinderen hebben op de één of andere manier verder geleerd; ook de twee dochters – toen hij een keel-aandoening kreeg die door de bejaarde huisarts werd gediagnosticeerd als “een abces dat de tijd gegund moest worden om door te breken.” Hij kon niet zeggen hoe lang dat zou gaan duren, maar tot het zo ver was, was het niet raadzaam om iets te eten of te drinken! Onnodig te zeggen dat vooral dat laatste een regelrechte martelgang betekende! Moeder Jans bemoedigde hem elke avond: “Zodra het vannacht doorbreekt” (wat je je daarbij moest voorstellen, wisten zij waarschijnlijk ook niet precies) mag je drinken, zoveel je wilt: daar en daar staat de limonadefles…..enzovoort.” Maar de toestand sleepte zich vier dagen voort zonder “doorbraak.” Op zondagmorgen werd de bejaarde huisarts er opnieuw bij geroepen, die na de eerste aanblik moest toegeven: “Tja, het ziet er niet best uit, we moesten er maar even een specialist bijhalen.” De specialist kwam, vroeg de patiënt zijn mond te openen en verordonneerde het volgende ogenblik: “Doe maar weer dicht: Ik heb het al gezien.” Difterie. Onmiddellijk naar het ziekenhuis! Op de gang hoorde Jans de specialist gedempt tegen de bejaarde huisarts foeteren: “Had je dat nu zelf niet in de gaten?” Nee dus. Dat was in dat tijdvlak inderdaad een risico met ouder wordende doktoren, die hun bul nog ergens in de 19de eeuw hadden gehaald en vervolgens hun praktijk waren blijven uitoefenen tot ze erbij neervielen, zonder tegelijkertijd, met het klimmen der jaren, de voortschrijdende wetenschap middels de vakliteratuur evenredig bij te houden. Difterie kon in die tijd levensbedreigend zijn en daarnaast bleek hier ook nog sprake van een verkeerde behandeling: Bij aankomst in het ziekenhuis moest de patiënt eerst standaard in bad en bij het zien van een badkuip vol water vertrouwde Huub de verpleegster, die hem kwam wassen, wanhopig toe: “Wat heb ik een vréselijke dorst….” Haar reactie: “Heb je dórst, jochie? Nou, zeg, drínk dan vooral, hoe meer hoe beter: bij difterie móet je juist veel drinken, anders heelt de ontsteking niet…..” Die bejaarde huisarts had, met andere woorden, zijn dóód kunnen worden!

Enfin, mijn vader dronk, om te beginnen, een paar liter water, bleef acht weken in het “Gasthuis”  en keerde volledig genezen verklaard huiswaarts. Alleen was het een fatale inbreuk op zijn laatste schooljaar geweest. Te laat om één en ander in de halen: hij zou het beste, zo luidde het advies, in september terug kunnen komen om het examenjaar nog een keer over te doen. Ja, maar wàt in de tussentijd? Een tijdelijk baantje….Het was inmiddels 1930; de crisis was al uitgebroken! Toch wist Huub wat te vinden: bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij zocht men tijdelijk een jongste  bediende voor de duur van zes maanden. Het lag aan de overkant van de Nieuwe Maas en bij het eerste sollicitatiegesprek arriveerde hij een half uur te laat, omdat hij, op de fiets en bij straffe tegenwind, zich rót had moeten zoeken om een brug te vinden en vervolgens weer dat eind terug te rijden. Dat verklaarde hij ook meteen tegenover de chef, een zekere van Prooyen, die zijn directe baas zou worden. Diens verwonderde reactie: “Hebben ze je dan niet verteld van ons pontje?” Nee, dat hadden ze niet. Tot nu toe. “Nou jongen, wacht dan even, dan zal ik eerst eens een kopje koffie voor je laten halen; dan praten we daarna verder! Tjonge jonge…..” De goede verstaander, waaronder mijn vader, wist terstond: dit was een fatsoenlijke man. En daarmee een fatsoenlijke werkkring. Omdat het om een tijdelijke betrekking ging, bleek ook het salaris méér dan behoorlijk: 50 gulden per maand! Daarop had niemand, zijn ouders noch hijzelf, durven hopen. En dat bleek dan ook wel uit Bertus’ reactie zodra zijn zoon met het goede nieuws thuis kwam en hij, op de vraag wat hij nu ging verdienen, waarheidsgetrouw dit bedrag te horen kreeg: die bestond namelijk uit een klinkende oorvijg, gevolgd door een gedecideerd: “Naar je kamer! Leugenaars wil ik niet onder mijn ogen krijgen!” Aan het eind van de eerste maand móest hij het uiteraard wel geloven.

Nu hanteerde Bertus de “gulden regel” die in die tijd nog wel door meer gezinshoofden gehanteerd werd: “Kostgangers houd ik niet.” Hetgeen betekende dat zijn kinderen, helaas voor hèn, er niet waren met het betalen van een bepaald bedrag aan kostgeld. Zolang zij nog thuis woonden, ook al waren zij allang meerderjarig, werden zij geacht hun volledige verdiensten aan de ouders af te staan, die het, naar eigen zeggen, besteedden ten gunste van het hele huishouden en daarmee ook van hèn. Een zakcentje voor elkeen was dan nog het enige wat er af kon. Zoals gezegd: er waren in die tijd méér gezinnen waar het er zó aan toeging en deze tijd zou het absoluut niet meer kúnnen, omdat men, om er maar één aspect uit te lichten, op die manier de economische zelfstandigheid van het vaak al volwassen nageslacht in ernstige mate bemoeilijkte. Evenwel, wat betekende in die tijd dan ook eigenlijk het begrip “zelfstandigheid?” Zelfs ‘alleen wonen’ bestond in die tijd nauwelijks:  een vrijgezel, die om wat voor reden dan ook niet meer ‘thuis’ woonde, ging in de regel ‘in de kost’ of ´óp kamers’ in plaats van een eigen woning te betrekken. En daar dat hier, zoals vader Bertus het al zo bondig opmerkte, niet aan de orde was, verdween het goede loon van Huub gedurende al die zes maanden zonder pardon in moeders huishoudpot, waarbij hij er alleen maar op vertrouwen kon dat zijn moeder het, te goeder trouw, uiteindelijk aan hèm besteedde en niet bij tijd en wijle aan “borstplaat bij de koffie.” Maar dat waren nu eenmaal van die dingen die je als jongere dus niet altijd in de hand had.

Maar goed, de zes maanden bij de BPM verliepen overigens voorspoedig, ook al omdat het werk van een jongste bediende in die tijd voor een groot deel bestond uit boodschappen doen en pakketjes wegbrengen en dat wás nog zo gek niet: dan kwam je er regelmatig uit, zelfs van het terrein af, omdat die boodschappen bijna altijd aan de overkant van de Nieuwe Maas, in de stad, gedaan moesten worden. Slechts één keer zat mijn vader behoorlijk in de rats: één van zijn vaste taken was elke dag het ophalen van de post voor het kantoor, waartoe hij de sleutel van de ‘postbox’ onder beheer had. Luttele weken na zijn intrede raakte hij die al kwijt. Het was één van de zeldzame keren dat hij zijn overigens zeer redelijke chef, van Prooyen, die hem zelfs wel tegen veeleisender superieuren in bescherming nam, ontstemd meemaakte: “Verdorie, Jongen, dat is verrekt stom van je! Ik heb nog net één reservesleutel, maar laat het niet wéér gebeuren!” Toen een paar maanden later, op een zaterdagmiddag na werktijd, het noodlot opnieuw toesloeg, zag Huub voor de komende maandagmorgen de bui al hangen. Een slapeloze nacht en, de andere dag in de kerk, een vurig gebed tot de Heilige Antonius – die door de katholieken geacht werd in zulke gevallen uitkomst te brengen – hielpen ook al niet. Of toch wèl? Want na die zondagmiddag tóch nog maar gewoontegetrouw naar de voetbalwedstrijd te zijn gegaan – zonder er uiteraard veel plezier aan te beleven – had moeder Jans een verlossende mededeling voor hem: “Ik zat er vanmiddag nog over te piekeren,” legde ze uit, “en toen herinnerde ik me dat je gistermiddag zo doornat thuiskwam, na die stortbui, en dat ik je jas, zodra het weer opgeklaard was, in de tuin heb gehangen om te drogen. Daarom ben ik toch nog maar eens buiten gaan kijken en….kijk eens: lag in het gras! Uit je zak gevallen, natuurlijk!” Sint Antonius of moeders inventiviteit? Met de ware, rooms-katholieke deemoed hielden ze het natuurlijk op het éérste.

In september 1931 hervatte mijn vader zijn 4-jarige MULO-opleiding, die hij negen maanden later voltooide. Op zijn 18de ontving hij zijn oproep voor de militaire dienst, als enige van het gezin: naar wat hij ervan verteld heeft, had Stef eerder ‘vrijgeloot’ en Walter daarna eveneens. Het in het Roomse ‘kluwengezin’ – want dat wás het metterdaad – gekoesterde jongetje, dat, evenmin als de anderen, er echt op voorbereid was om uit te vliegen, aanvaardde de verplichting met de nodige tegenzin, maar, wat hij op dat moment nog niet kon vermoeden: het zou zijn nut hebben. Vanwege zijn MULO-4 werd hij automatisch ingedeeld in de onderofficiers-opleiding met de mogelijkheid om het tot sergeant-majoor te brengen, hetgeen inhield dat hij met wapens van verschillend kaliber zou leren omgaan: karabijnen en pistolen. En dát zou nog goed van pas komen, 10 jaar later, tijdens de Duitse bezetting…….

(wordt vervolgd)

Door:
Theresa Geissler

(Oorspronkelijk geschreven voor: www.ejbron.wordpress.com)

LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (deel 1)

Screenshot_34

Door: Theresa Geissler

(De nu volgende serie van zes artikelen is bij uitzondering geen Duitse actualiteit, maar Nederlandse historie.

Hij ontstond in de jaren, waarin ik reageerde, vertaalde en publiceerde op de site van E. J. Bron. Na rijp beraad besloot ik, hem in zijn geheel naar Theresa’s Visie over te brengen: Het is de geschiedenis van mijn familie, waardoor ik hem beschouw als mijn eigendom en dat van deze site. Hier Deel 1:)

Brabanders in West-Friesland

Mijn grootmoeder van moederskant was nummer acht in een gezin van tien kinderen. In die tijd absoluut geen uitzondering en al helemaal niet in het “donkere Roomse Zuiden des lands”, Brabant. Misschien was het alleen een (gelukkige) uitzondering te noemen dat al die kinderen metterdaad de volwassenheid bereíkten, ja, zelfs dat het haar ouders bespaard gebleven is één of meerderen van hun kroost naar het kerkhof te moeten brengen vóór hun eigen tijd gekomen was. Zeer zeker was dat een gelukkige omstandigheid, die in die periode – het laatste kwart van de 19de eeuw – lang niet iedereen ten deel viel, al kan ik me voorstellen dat ze daar in het dagelijks leven niet of nauwelijks bij stilgestaan hebben en zich integendeel van tijd tot tijd hebben beklaagd over het grote aantal monden dat gevoed moest worden. Maar dat was nu eenmaal iets dat zich toen nog minder goed liet regelen.

De vader van mijn grootmoeder, Jan van Vught, was min of meer een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken: ongeveer de helft van zijn leven besteedde hij aan het opzetten van telkens weer andere ondernemingen, die dan na enige tijd tot mislukken gedoemd bleken, waarna hij verbeten zijn tanden in een volgend probeersel zette: het lijkt erop dat hij er al die tijd vooral naar gestreefd heeft ‘zelfstandig’ te blijven, met andere woorden: niet ergens ‘in loondienst’ te hoeven gaan. Hij schijnt een niet al te gemakkelijk man te zijn geweest met een eigenzinnig karakter en waarschijnlijk was het vooruitzicht een betaalde betrekking te moeten aanvaarden, en zich aldus te moeten schikken naar een ‘patroon,’ zijn grootste schrikbeeld. Zijn meest gedurfde onderneming was het vestigen van een zuivelfabriek in de omgeving van Delft, ergens in de late jaren ’70 van de 19de eeuw. Gedurfd vooral, omdat dit de verkassing van zijn groeiend gezin van Brabant naar Zuid-Hollandse vereiste. Hoe het ook zij: na zo’n zeven jaar ging deze onderneming door onnaspeurbare redenen de weg van Jan van Vught’s eerdere ondernemingen en keerde hij met echtgenote en kinderschare gedesillusioneerd terug naar zijn geboortedorp Vlijmen onder de rook van Den Bosch. Hier werd hij te hulp geschoten door een niet onbemiddeld familielid, een tante, wier overleden echtgenoot enige onroerende goederen nagelaten had, waaronder een redelijk rendabel café. Zij sloot met haar neef een pachtcontract af teneinde hem van een broodwinning en zijn gezin van onderdak te voorzien. Van Vught, moegestreden, accepteerde. Het zou zijn definitieve eindbestemming worden.

Mijn overgrootvader is zelfs, zij het op bescheiden en niet al te voordelige manier, vereeuwigd in de later beroemd geworden maatschappijkritische roman van jurist-schrijver Anton Roothaert: Doctor Vlimmen. Niet iedereen weet namelijk dat dit werk geen zuivere fictie is: weliswaar is het tijdvlak erin verplaatst van de jaren ’10 naar de jaren ’30-’40 van de twintigste eeuw en zijn zowel eigennamen als plaatsnamen veranderd, maar zijn de beschreven personages en gebeurtenissen zijn gebaseerd op de werkelijkheid! Caféhouder Jan van Vught krijgt in het verhaal de bijrol toebedeeld van kroegbaas Fons Martens, die min of meer figureert in een centrale episode in het boek rond het slachtoffer van een dodelijk ongeval en, in verband daarmee, een “fout” bidprentje. Al teveel woorden maakt de auteur niet aan hem vuil: Fons Martens wordt vooral beschreven als een luiwammes en een nietsnut, die – dat klopt dan volkomen met de werkelijkheid – door de moeder van het slachtoffer, zijn tante, goedgunstig in het café is geïnstalleerd met het oogmerk hem een bestaan te verschaffen. Iets, waarvoor hij zich hoegenaamd niet dankbaar toont, ook niet als hij bij haar dood het café metterdaad èrft, omdat hij tevens gèld uit de erfenis had willen zien. Roothaert had er een handje van om de personages, die hij in het echte leven graag mocht, onevenredig in de hoogte te steken en diegenen, die hij níet mocht, even genadeloos af te branden, en dat is één van de redenen waarom zijn werk, hoewel vele jaren lang goed ontvangen en bijzonder goed verkocht, wegens gebrek aan nuancering géén literaire status verdient. Hoe dan ook is het duidelijk dat Jan van Vught en hij géén vrienden waren.

Maar de nering bleef althans overeind en dat was, gezien de voorgaande geschiedenis, al heel wat. In 1889 werd mijn grootmoeder Josephine, “Fien”, geboren, zoals vermeld het achtste kind in het gezin en daarnaast de derde dochter. Na haar zou er nog één dochter volgen, Jeanne, met wie zij in haar jeugd nog de meeste voeling zou hebben, en als hekkensluiter Leo, de enige van het gezin die fysiek niet volkomen gezond bleek te zijn: hij leed aan dwerggroei en zou de lichaamslengte van één meter tijdens zijn leven niet of nauwelijks overstijgen. Fien hield weinig positieve herinneringen over aan haar kinderjaren: Als ze er, aan het eind van haar leven, tegenover mij, haar jongste kleindochter, al eens iets over losliet, waren dat grotendeels zwartgallige, verbitterde verhalen, waaruit maar weinig genegenheid sprak voor de overige broers en zusters – met uitzondering, af en toe, van Jeanne en Leo – en helemaal niet voor haar ouders. De meest sprekende herinnering met betrekking tot haar vader was nog dat die aan tafel, waar ze allemaal tijdens de maaltijd geacht werden, te zwijgen als het graf, zijn pet in de aanslag hield om degene die het waagde deze regel op welke manier dan ook te overtreden, er keihard mee in het gezicht te slaan. Veel meer kwam ik van haar niet over hem te weten. Wanneer ik – want een kind hengelt toch automatisch naar een goede afloop – hoopvol informeerde of haar moeder dan wèl aardig was, bestond de respons doorgaans uit een half-gemompeld: “Ja, ach ja……” zonder verdere details. Instinctief wist je dan alweer genoeg. Het is natuurlijk mogelijk dat de werkelijkheid genuanceerder ligt en dat mijn grootmoeder in feite gewoon een gevoelige natuur was, die de pech had gehad geboren te worden in een omvangrijk, niet al te geciviliseerd, nest, waarin zij wat verloren gelopen kan zijn. Dergelijke dingen heeft een mens nu eenmaal niet voor het uitzoeken – toen al helemáál niet – maar de betrokkene zit er mee en moet ermee zien te leven.

Zo ook met de overige omstandigheden van die tijd: schoolgaan, hetzelfde liedje! Het onderwijs, zeker in het katholieke Brabant, lag destijds nog onwrikbaar in handen van de kerk, lees: broeders en nonnen. Daar kon je het als kind mee treffen of niet, maar het feit dat deze in wezen doodnormale, dus ónvolmaakte, mensen werden opgezadeld met de onmogelijke taak de ultieme volmááktheid te representeren, deed de balans in de praktijk maar al te vaak doorslaan naar níet. De katholieke lagere school in Vlijmen was tevens verbonden aan een kostschool, waar bijna uitsluitend kinderen uit zeer welgestelde, katholieke families, overal in het land, door hun ouders werden ‘gedumpt,’ voornamelijk voor de ‘standing’ èn opdat die ouders zich ongestoord aan hun ‘maatschappelijke taken’ konden wijden, bevrijd van de grillen en grollen van hun opgroeiend kroost. Die kostschoolleerlingen genoten hun onderwijs samen met de lokale jeugd en, hoewel het gissen bleef hoe zij na schooltijd binnen de internaatsmuren werden behandeld, zeker is, dat zij in de klas op schandalige wijze werden voorgetrokken boven de externe leerlingen. Reden: Ze brachten verreweg de meeste inkomsten in voor de kloostergemeenschap. Dat bepaalde automatisch je plaats in de pikorde, die vervolgens neerwaarts ging met de ‘betere middenstand,’  de ‘lagere middenstand’ – waartoe ook de kinderen van Vught behoorden – en de ‘armen,’ die men, oh gruwel, sinds de invoering van het Kinderwetje van Van Houten in 1864 nu eenmaal enkele jaren kosteloos had op te nemen en onderwijs te verstrekken! Onnodig te vermelden dat in ieder geval die ‘armen’, die om te beginnen, net als in de kerk, achterin de klas moesten zitten, als zondebok voor de rest dienden, maar ook de daaropvolgende categorie, die van de “lagere middenstand” ontkwam er niet altijd aan. Het enige wat mijn grootmoeder daar ooit duidelijk over heeft verteld, was dat haar broertje Leo, ooit onterecht ergens van beschuldigd, zich angstig aan haar schort vastklampte zodra hij de gestalte van de wrekende non zag naderen. Die, echter, rukte het kind zonder pardon los en stopte hem ondanks zijn panische geschreeuw in het kolenhok! Hoe zich dat verder heeft ontwikkeld, werd niet duidelijk: Mijn grootmoeder wijdde daar niet verder over uit, alsof de terugblik ook háár te machtig was…..

Of er door die nonnen ook nog geslagen werd? Vast wel, al kreeg ze dat evenmin over haar lippen. Wie de moeite neemt hierover even na te denken, kan zich voorstellen hoe machteloos deze vrouw zich als kind gevoeld moet hebben, van alle kanten overgeleverd aan volwassenen, die zich vanuit de toenmalige “pedagogische” opvattingen consequent niet in kinderen verplaatsten en die niet bereid waren stil te staan bij de vraag hoe die zich daar wel onder moesten voelen: overal loerde voor het kind het oppermachtige gezag der volwassenen, onwillig om voor het kind, tenminste voor het gevóelige kind, een plek te creëren waar het zich veilig voelde, hetzij op school, hetzij thuis…… Dit lijkt wat dramatisch gesteld, maar ik weet zeker dat het voor naturen als mijn grootmoeder óp ging: andere ouderen namelijk hoorde je van tijd tot tijd nog wel eens de meest tenenkrommende verhalen van pedagogisch machtsmisbruik lachend opdissen, er vrolijk aan toevoegend “dat dit toen nu eenmaal zo ging” en “dat ze er niets van gekregen hadden.” Dat zij daar niet toe in staat bleek, spreekt, terugblikkend, voor mij boekdelen.

Gelukkig voor Fien raakte ze al jong “onder de pannen.” En ook nog op een romantische manier: men moet weten dat ze op haar dertiende al een exotische schoonheid was; donker van uiterlijk en ravenzwart van haarkleur, bovendien met vlechten tot op haar middel. Dit wekte de belangstelling van een jonge onderwijzer, negen jaar ouder dan zij, die op dat ogenblik net de kweekschool had afgemaakt en in de omgeving een tijdelijke baan had aanvaard. Zijn eerste woorden bij de aanblik van dat beeldschone, zij het op dat moment nog piepjonge, kind: “Wie is da’ meske mee da’ mooi’ zwart’ ‘oar?” – zijn zorgvuldig aangekweekte “Hollands” voor op school bij die gelegenheid vergetend. Zijn naam was Jan van der Wiel, zoon van een gemeenteopzichter in Den Bosch. Dat hij Jan heette, net zoals vader van Vught, niemand die ervan opkeek: het is al eeuwenlang de populairste Nederlandse jongensnaam geweest, zowel onder katholieken als onder protestanten; min of meer een ‘must’ voor wie op welke manier dan ook de christelijke Evangeliën als richtsnoer erkent….En dat deed in die tijd nog vrijwel iedereen. Om het even ook of het hier ging om Johannes de Doper of om Johannes de Evangelist: beiden werden beschouwd als naaste vrienden van Christus zelf, op wie hij bijzonder gesteld was geweest; dat volstond. De naam raakt zelfs nu, in deze tijd van ontkerstening, nog niet echt in onbruik, dus kunnen we nagaan, hoe dat toen was.

Goed, Jan van der Wiel dus. Hij liet zich inlichten over de leeftijd van het meisje. Het schrikte hem niet af. Integendeel, hij deed iets opmerkelijks: consequent wachtte hij vier jaar geduldig, in welke tijd hij tevens zijn hoofdakte wist te halen, versterkte intussen met taaie volharding de kennismaking met Fien…en vroeg haar vervolgens ten huwelijk. Hij werd door alle partijen prompt aanvaard en een jaar later waren ze getrouwd. Zoals ik dit nu neerschrijf, ben ik me er van bewust dat het aan één kant wel iets heeft van een opgeprikt, geïdealiseerd verhaal, een hersenspinsel à la de koningin van de keukenmeidenroman Hedwig Courts-Mahler (die, voor wie dat niets zegt, gedurende de jaren ’20 van de vorige eeuw zo’n 200 pulp-boekjes publiceerde), maar ik kan er niets aan doen dat het echt zo is gebeurd: mijn grootvader, Jan van der Wiel, was, behalve een gedegen katholieke burgerjongen, toevallig ook begiftigd met een fabelachtig soort standvastigheid, die hem op het eerste gezicht had doen beseffen: die oder keine. Te jong om te trouwen? Hij had de tijd. En ach, voor Fien zal het zo nodig nog gemakkelijker geweest zijn: een dertienjarige was in die tijd, oneindig veel vaker dan tegenwoordig, niet meer dan een kind, dat bijvoorbeeld geen idee had van wat seks eigenlijk inhield, zodat ze er ook niet naar táálde. De lange aanlooptijd kan voor haar wel eerder gunstig geweest zijn, een goede gelegenheid om Jan te leren kennen en te wennen aan het idee ooit zijn vrouw te worden. Waarbij we evenmin de mogelijkheid mogen uitsluiten dat het groeiende besef dat hij haar uit haar ouderlijk huis zou weghalen misschien wel een opluchting voor haar betekende, bewust of onbewust…..

Ook haar ouders moeten tevreden geweest zijn over de gang van zaken: vast staat dat ze Fien in die tussenliggende jaren nooit ‘uit werken’ hebben gestuurd, wat ze anders vrijwel zeker gedaan zouden hebben. Ze hebben haar alleen naailessen laten volgen, ‘bij de nonnen’, ze wisten, dat het in dit geval kon lijden: hun dochter zou met zekerheid gaan tróuwen, dan was er niets beter dan dat ze nu wat investeerden in haar nabije toekomst als getrouwde vrouw. Tenslotte zou Jan hen van de zorg voor haar ontlasten, dus was het geen verspilling om daar voorlopig iets op toe te leggen. En zo ging het nu eens precies: geen bedrog, geen schandaal, geen onverwachte verwikkelingen of andere rampen: ook dat kwam – en komt – af en toe voor……

Maar natuurlijk was ook weer niet alles volmaakt: dan zou het een sprookje met een ultiem happy end geweest zijn. En dat is het niet, want ik probeer hier het wáre verhaal weer te geven. De belangrijkste eerste strubbeling die aanleiding gaf tot een ingrijpende verandering in hun leven was dat Jan zich tijdens hun eerste huwelijksjaar niet gelukkig voelde in zijn betrekking op dat moment. Hij had een aanstelling als onderwijzer aan een elitaire jongensschool in Den Bosch. Zijn leerlingen bleken voor het grootste deel rijkeluis-ettertjes, hun ouders in het algemeen pedant en onaanspreekbaar, de schoolleiding kruiperig naar die ouders toe en de algehele werkomstandigheden daardoor ondoenlijk. Trouwens, nu hij inmiddels zijn Hoofdakte op zak had, kon hij solliciteren naar een post op leidinggevend niveau. Dat deed hij dan ook en met succes…..Alleen betekende het wel: verhuizen. Weg uit Brabant.

Jan was dit huwelijk begonnen als een toegewijde, smoorverliefde echtgenoot, die zijn jonge vrouw op handen droeg en in zekere zin zou hij dat ook wel zijn hele leven blijven doen. Echter: in déze kwestie liet hij toch voor één keer de toen gebruikelijke, patriarchale houding prevaleren: dit had hij besloten en dit werd doorgezet. En tegenwerpingen waren nu niet aan de orde. Fien schikte zich – van huis uit was ze tenslotte nooit anders gewend geweest – maar de verandering was in haar ogen zó groot en ingrijpend dat ze waarschijnlijk echt wel even het één en ander heeft moeten wegslikken. Hun nieuwe domicilie werd West-Friesland, om precies te zijn: De Weere, een gehucht dat destijds onder maar liefst drie andere gemeenten viel: Hoogwoud, Sijbekarspel en Abbekerk. De katholieke lagere school, waar Jan als “Meester” was aangesteld, lag in De Weere – Gemeente Hoogwoud. Eigenlijk kon je Jan nu wel ronduit “bovenmeester” noemen: Het was geen tweemansschool, zoals in die afgelegen dorpen toen nog algemeen gebruikelijk, maar een driemansschool: Jan had dus twee onderwijzeressen en in totaal drie klassen onder zich en dat begon er toch al een beetje op te lijken, al was het niet als in de stad. Maar met het begrip “bovenmeester” waren de boeren daar op dat tijdstip nog niet vertrouwd: Het hoofd der school was en bleef gewoon “Meester.

Fien probeerde er het beste van te maken, al miste ze, vooral in het begin, natuurlijk de in Brabant gangbare, gemoedelijker toon. Misschien waren deze West-Friezen, of algemener gezegd, Noord-Hollanders niet direct stijf te noemen, maar wel núchter. Zonder poespas. “Doe maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg.” Niet dat het bij haar thuis nou echt zo’n vrolijke, hartelijke bedoening was geweest, maar daarbuiten, af en toe…..Carnaval, daar hadden déze mensen duidelijk geen idéé van! Maar ja, daar was ze dan ook al bang voor geweest. ’t Zou moeten wennen, er zat niets anders op. Ze hadden wèl een groot huis nu; ambtswoning, maar tóch. En zij was nu “Meesters Juffrouw”, dat klónk. De Weere had geen eigen notaris of dokter, dus in feite vormden z i j “de deftigheid.” Vreemd idee, ook dat zou moeten wennen…..

In 1908 waren zij verhuisd; in 1909 werd hun eerste kind geboren, een meisje. In totaal zouden mijn grootouders vijf kinderen krijgen: Franciska (1909), Adriaan (1911), Harry (1913), Leonie, mijn moeder (1915) en Maria (1917). Een redelijk aantal, het tijdsbestek in aanmerking genomen. In 1914 was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken, maar Nederland bleef neutraal en merkte er, afgezien van de mobilisatie, de vluchtelingen vanuit België en de betrekkelijke voedselschaarste, weinig van. Op het West-Friese platteland was van genoemde kenmerken zelfs praktisch niets te bespeuren. Men hield het nieuws bij, natuurlijk, voor zover dat ging, uit de krant, want zelfs de radio was omstreeks die tijd nog niet ingeburgerd. Dat zou ná de oorlog, in de jaren ’20, nog eens op gang komen en dan aanvankelijk nog alleen bij de ‘rijken.’ Waren er ‘rijken’ in De Weere? Nu, er waren genoeg rijke boeren, dat zeker! Feitelijk zat iedere West-Friese boer er wel goed bij: vruchtbare, vette kleigrond, zowel gunstig voor het gewas als voor de veeteelt; de meeste boeren wisten er wel wat van te maken. Maar zoals overal gold ook hier de ongeschreven regel: een boer is niet rijk; zijn hoeve is rijk: wie zijn kop gebruikte, investeerde de meeste van zijn opbrengsten in het bedrijf en ging zich niet te buiten aan luxe malligheden. Doorgaans had een boerderij één “pronkkamer”, die ook meestal kostbaar was ingericht, met vooral veel porselein en kristal. Maar behalve op hoogtijdagen bleef die zorgvuldig afgesloten en gestookt werd daar dan ook niet: boerenfamilies aten doordeweeks gewoon in de keuken of in de ‘herd'(het achterhuis) samen met de knechten en de ‘meiden.’ De kost was normaal gesproken altijd een soort ‘krachtvoer”, gezond en vooral ook stevig, zeker niet armelijk, maar evenmin verfijnd. Daarnaast namen veel boeren het in het dagelijks leven tevens niet al te nauw met bepaalde levensgewoonten zoals hygiëne. “Maar een kniesoor die daar op lette.”

Een radio, toen die eenmaal in zwang kwam, werd echter door verschillende boeren wel aangeschaft. Dat was een investering: het was altijd goed de landbouwberichten te kunnen  volgen. En och, wat er daarnaast te beluisteren viel, dat mocht dan ook wel, vonden de meesten: ’t Was hier wel kerks – half katholiek, half protestant – maar geen ‘Biblebelt.’ Aan die flauwekul van de ‘fijnen’ deden ze op “’t durp” niet mee. Een andere investering, zelfs wel een grote, werd gedaan als de boerendochters de leeftijd kregen om “aan de vrijer te gaan.” Het was de bedoeling dat ze de “best pertai” binnen haalden bij ontmoetingen op de kermissen en bij de dansfeesten, dus moesten ze zelf óók op hun best eruit springen; zogezegd als signaal: hier zit het geld. En dat betekende dan: een hele voorraad nieuwe, kostbare sieraden, die voor elke dochter weer nieuw werd aangeschaft. De boeren in De Weere hadden lange tijd hun eigen leverancier: Juwelier Hinke in Medemblik.  Zo’n paar maal per jaar, als er ergens weer eens een dochter ‘in de markt’ gegooid werd, kon het hele dorp dat zien, want dan kwam Hinke speciaal uit het stadje over met zijn ‘rijtuigie’, later met zijn Fordje, en altijd met zijn zwartleren juwelierskoffer vol met de prachtigste dingen. Dan werd hij speciaal in de pronkkamer ontvangen en zaten de boerin en de dochter in kwestie een hele middag te overleggen en uit te zoeken. Daar werd ècht de hele middag voor uitgetrokken, want het was een hoogst serieuze zaak! Hinke had over het algemeen een erg traditioneel, nooit ‘vernieuwend’, assortiment, maar juist daarom waren de boerendochters er dol op! En ergens hadden ze gelijk, want er bevonden zich juist daardoor stukken onder waarvan je spijtig kunt constateren: zo worden ze tegenwoordig niet meer gemaakt. Natuurlijk hadden de huwbare boerenzóóns ook wel iets nodig om op de kermis te tonen, waar het geld zat, maar die waren wat dat betrof eerder klaar: voor hen volstond doorgaans een gouden horlogeketting – wel graag zo zwaar mogelijk – met, als het kon, als finishing touch, behalve het horloge nog een gouden paardje of gouden paardenhoofd. Maar die konden ze, zo nodig, ook wel van hun ouweheer lenen voor zo’n avond. De vrouwen, dat was echt wat anders: dat waren de visitekaartjes van het bedrijf, zogezegd; daar móest je wel geld in steken.

Meester van der Wiel was niet rijk, al dachten veel dorpelingen – vooral de armere, de rijke boeren wisten doorgaans beter, van wèl. Voor Juffrouw van der Wiel geen duizenden guldens aan juwelen zoals de boerinnen. Maar tóch deed Meesters gezin wel andere dingen die door niemand in het dorp gedaan werden, ook door de boeren niet: zo werden de dochters als enigen op het dorp voor elke gelegenheid, en natuurlijk op zondag, mooi gemaakt met grote, witte strikken in het haar. En ze kregen verreweg de meeste cadeaus met Sinterklaas en met hun verjaardagen, ook al omdat de twee onderwijzeressen zich wat dat betrof evenmin onbetuigd lieten: Juf de Boer, het klassieke type van de verzuurde schooljuf, betoonde zich daarbij het royaalst, al deed zij het duidelijk om bij “Meester” in een goed blaadje te komen, want ze hield niet echt van kinderen. Juf van Wijk, zowat in alles haar tegenpool, die de klassen 1 en 2 onder haar toezicht had, liet bij de cadeaukeuze ècht haar hart spreken. Zij zou trouwens haar hele verdere leven, ook na haar pensionering, als een goede vriendin met de familie in contact blijven en door de kleinkinderen – ook nog door mij – “Tante Nellie” genoemd worden. Maar goed, dat terzijde: Meesters gezin had dus in sommige opzichten wel meer dan de gemiddelde dorpeling. Bijvoorbeeld wel degelijk ook een radio: Jan wenste van alles op de hoogte te blijven. Hij was trouwens helemaal een belezen man met een brede belangstelling, kenmerk van veel onderwijzers. Dus had de familie Van der Wiel – ook al een uitzondering op het dorp – boeken in huis, zelfs jeugdboeken voor de kinderen. Het meest exceptionele was misschien nog wel dat de familie Van der Wiel, echt als enige in het hele dorp, ieder jaar weer met vakantie ging, de volle drie, later vier, weken van de zomervakantie: ze gingen dan hun familie in Brabant bezoeken. Het moet trouwens worden opgemerkt dat Jan hier andermaal zijn patriarchaal overwicht had laten werken, want van Fien hoefde het eigenlijk niet ieder jaar zo nodig, niet op deze manier: logeren deden ze in principe altijd bij haar schoonfamilie: Jan´s vader, Hendrik, de gepensioneerde gemeenteopzichter, en diens dochter Dina, die met man en twee kinderen bij hèm inwoonde, en Fien werd dan geacht flink mee te helpen in huis, in ruil voor het feit dat ze daar ieder jaar weer, zeven man sterk, de nodige weken hun stempel op het huishouden kwamen drukken. Voorts wat er verder allemaal aan vast zat: De Weere lág niet aan een spoorlijn, zodat het hele gezin op de dag van vertrek, ’s morgens vroeg, door overbuurman Klaas Braak met paard en wagen naar Abbekerk werd gebracht, waar het lokaaltje naar Hoorn vertrok. In Hoorn moest er overgestapt worden op de trein naar Amsterdam, alwaar op de volgende overstap twee uur moest worden gewacht! En dat, tussen haakjes, allemaal derde klas op harde houten banken, omdat de onderneming anders financieel toch niet haalbaar geweest zou zijn. Ten langen leste bracht tenslotte de derde trein ze naar Den Bosch, tenzij het geval zich voordeed dat tussendoor de conducteur de kaartjes kwam knippen, ze zonder verder commentaar weer overhandigde, maar tegelijkertijd wèl laconiek meedeelde: “Utrecht overstappen, mijnheer.” ” ‘Edde weer verkeerd gekeke?”, informeerde Fien dan steevast nijdig. Het zou echter geen moment bij haar opgekomen zijn om haar man op grond van zulke ervaringen voor de volgende reis het spoorboekje uit handen te nemen en zèlf te gaan plannen: dat was onbetwist de taak van de Heer des huizes.

Vanzelfsprekend werden er gedurende die drie of vier weken tevens bezoeken gebracht aan de familie van Fien’s kant, voor zover die nog in Brabant woonde: grootvader Jan van Vught leek met de jaren milder geworden en toonde zich bij die gelegenheden voor de kleinkinderen een leukere opa dan hij voor zijn kinderen váder was geweest. Hij nam ze vaak mee naar zijn kleine boomgaard achter het huis: appels en peren plukken en er zoveel van eten als je wilde. Het café werd nu grotendeels gedreven door zijn oudste dochter Aldegonda en mogelijk was hij echt beter in zijn element nu hij zijn handen meer vrij had; in dat geval kan Roothaert’s kwalificatie “luiwammes” natuurlijk ergens wel kloppen. Een broer van moeder Fien, Frits, was banketbakker geworden in Den Bosch en deed goede zaken. In zijn huishouden, boven de banketbakkerij, was dan ook wel enige luxe te vinden: hij en zijn vrouw, tante Bets, hadden zelfs een papegaai, een geel-blauwe ara die een paar woorden kon zeggen en zichzelf had geleerd, met behulp van zowel zijn poten als zijn snavel, de trap op en af te lopen. Onnodig te vermelden dat de kinderen hem een wónder vonden! En mijn moeder, Leonie, kon er geen genoeg van krijgen om oom Frits bezig te zien, terwijl hij tijdens “rustige uren” bezig was met het vervaardigen van marsepeinen decoraties voor op de taarten, of als zelfstandig “showstuk.” Vooral zijn marsepeinen rozen maakten op haar diepe indruk! (het moet gezegd, dat ze, toen ze vele decennia later voor haar verjaardag nog eens een handboek “Internationale patisserie” vroeg èn kreeg, op latere leeftijd heeft geleerd, zèlf zulke rozen te vervaardigen.)

Maar goed, die zomerse logeerpartijen werden dus vooral ondernomen op initiatief van Jan en als het gezin aan het eind van de vakantie weer thuis was, voelde hij zich in ieder geval weer genoeg ‘bijgekomen’ om zijn taak als “Meester” een heel nieuw schooljaar te hervatten. Lange tijd tot tevredenheid van de gemeenschap. Wat was Meester van der Wiel voor onderwijzer? Typisch genoeg één, zoals je in de verhalen uit die tijd herhaaldelijk tegenkomt: bevlogen, serieus en gewetensvol. Streng, maar in principe rechtvaardig. Met een brede belangstelling, een voorliefde voor de vaderlandse geschiedenis en een begenadigd verteller. Waar je trouwens ook nog aan toe kunt voegen: in wezen goedhartig, maar buitensporig driftig! Dat was werkelijk één van zijn zwakkere punten: als hij zich kwaad maakte, waar niet teveel voor nodig was, moest je uitkijken dat er geen ongelukken gebeurden! Hij was absoluut niet het type onderwijzer dat een leerling koel, berekenend en bij wijze van pontificale ‘strafmaatregel’ ranselde, zoals je hier en daar nog wel zag, maar al te vaak kreeg hij onbedoeld een waas voor ogen, wat resulteerde in een geweldsuitbarsting en waarbij hij uit kon halen met alles wat los en vast zat. Nadat de bui dan weer gezakt was, realiseerde hij zich wel dat hij te ver was gegaan en gaf dat ook toe, maar een probleem wás het. Hij mocht achteraf bekeken blij zijn dat er toen in het algemeen door de ouders nog geen punt van gemaakt werd; in de moderne tijd, vanaf de jaren ’60, zou het zeker niet meer getolereerd zijn.  Terwijl het overigens toch een beste man was, bij zowel zijn leerlingen als hun ouders geliefd en gerespecteerd. Van zijn Brabantste afkomst maakten ze geen punt, al lachten ze onder elkaar wel om zijn dialect waarin hij verviel als hij, zoals eerder opgemerkt, emotioneel werd. Het gangbare, West-Friese dialect waardeerde hij niet en wilde hij in school ook eigenlijk niet horen, zodat hij af en toe hartig kon uitvallen: “Oach, gullie mee oew koeterwoals!”, waarbij de klas, ondanks zichzelf, haar hilariteit niet kon verbergen! Evenals trouwens wanneer hij, buiten zinnen, een boosdoener kon toevoegen: ” ‘k Skúp oe teuge’ ’t beskút up!”(Ik schop je tegen de wand!). Daar hij zich dan het volgende ogenblik zijn eigen ‘fout’ realiseerde, liep dat meestal voor alle partijen met een sisser af.

Het klinkt, alles bij elkaar, nog steeds tamelijk rimpelloos en idyllisch, al waren de financiële zorgen er wel degelijk en zouden die, vooral verderop in de jaren ’20, aanzienlijk toenemen, evenals het maatschappelijke “gesteggel.” Ook had de familie op dat moment nog geen idee wat er aan zat te komen: de “Beurskrach” van ’29, de daaropvolgende crisis, de opkomst van de NSB, de oorlog….. Ze zouden het allemaal nog aan den lijve ondervinden. Maar niemand kon, ook toen niet, in de toekomst kijken. En daarop vormden deze “Brabanders in West-Friesland” geen uitzondering……

(Wordt vervolgd)

Door:
Theresa Geissler
(Oorspronkelijk geschreven voor: www.ejbron.wordpress.com

Plannen van de Duitse regering: Vanaf de herfst wederom algemene mondmaskerplicht?

Door: Redactie ZUERST!

Berlijn. Nochtans mogen de Duitsers zich verheugen op de zomer en op talrijke Corona-versoepelingen. Maar reeds spoedig zou het daarmee weer voorbij kunnen zijn. De politiek namelijk alweer luidop na over omvangrijke beperkingen, op zijn laatst in de herfst.

Onder andere is is er vanaf oktober een nieuwe algemene mondmaskerplicht gepland. Dit is nu vanuit regeringskringen doorgesijpeld, de “Welt am Sonntag” heeft er over bericht. Volgens dit bericht dient een mondmasker niet meer slechts in openbare vervoersmiddelen, medische instellingen en senioren-inrichtingen worden gedragen, maar tevens weer in de detailhandel en in de gastronomie. In jet openbare personenvervoer werd de mondmaskerplicht al zonder meer nooit afgeschaft.

Volgens het bericht dient het plan als zogeheten “O-O-regel” – van oktober tot Pasen (= ‘Ostern’ – vert.) Minister van Volksgezondheid Lauterbach (SPD) wilde zich op de persconferentie niet nader uitlaten, verklaarde niettemin, dat de hoekstenen voor de toekomstige maatregelen “nog voor het zomerreces” geformuleerd zouden moeten zijn. Hiertoe behoorde ook een vaccinatiecampagne met verscheidene vaccinatiestoffen, evenals een concept voor de meer doelbewuste inzet van medicijnen bij lijders aan Covid.

De momenteel geldende regels van de besmettingsbeschermingswet m. b. t. Corona lopen af op 3 september. Ze beslaan nog slechts enkele zogeheten basis-beschermingsbesmettingsregels. Verschillende deelstaten dringen al aan op nieuwe verscherpingen, eveneens politici van CDU,, Groenen en SPD. (rk)

Door: Redactie ZUERST!
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://zuerst.de/2022/06/20/plaene-der-bundesregierung-ab-herbst-wieder-genereller-

Late oorvijg voor Angela Merkel

Door: Manfred Rouhs.

De tweede Senaat van het Constitutioneel Gerechtshof heeft op 15 juni 2202 vastgesteld, dat de openlijke uitlatingen van de toenmalige Bondskanselier Angela Merkel in het kader van een staatsbezoek in Zuid-Afrika over de verkiezing van de FDP-politicus Thomas Kemmerich voor de functie van minister-president van Thüringen met behulp van de stemmen van de AfD niet rechtsgeldig waren. Merkel had het “onvergeeflijk” genoemd, om een minister-president te kiezen met behulp van de stemmen van de AfD.

Tot zover in orde. De beslissing viel met vijf tegen drie rechters-stemmen, is dus voor het gerecht niet onomstreden.

Had Merkel zich niet uitgerekend in het kader van een staatsbezoek op een ander continent nadrukkelijk offensief uitgelaten over een partijpolitieke kwestie in Duitsland, dan was ze er mogelijk zonder berisping van afgekomen. Nu echter was het duidelijk: Ze heeft haar staatsfunctie misbruikt voor een partijpolitieke stellingname.

Niettemin worden de AfD niet alle kosten toegewezen, die voor haar zijn ontstaan door dit proces. Dat is ongewoon: Wie gelijk heeft, wordt normaal gesproken niet aansprakelijk gesteld voor de kosten van de gerechtelijke vervolging in zijn belang. de voor de AfD ontstane kosten zijn niet geheel onaanzienlijk. Het is bevreemdend, dat de partij met deze kosten blijft zitten. Haar moet kennelijk de lust worden ontnomen in verdere processen van deze soort.

De staatsinstituten worden al sinds mensenheugenis misbruikt voor het doel, de AfD te benadelen en afbreuk te doen aan haar rechten. De uitlating van Merkel in het verre Zuid-Afrika was wat dat betreft alleen maar het topje van de ijsberg. De AfD dient zich te weer te stellen tegen haar ongelijke behandeling, wil die niet escaleren – ook, omdat justitie vertraagd en eerder onwillig reageert. Ze heeft op 15 juni 2022 een etappeoverwinning behaald – en de democratie verdedigd tegen een politieke klasse, die zo vaak en zo veelomvattend mogelijk probeert, de staat tot haar buit te maken.

Door: Manfred Rouhs.
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://www.pi-news.net/2022/06/spaete-klatsche-fuer-angela-merkel/

Ook in Oostenrijk: Corona-enscenering gaat in de herfst de volgende ronde in

Door: Redactie ZUERST!

Wenen. In Oostenrijk gaat de Corona-pesterij de volgende ronde in. Ook in de Alpenrepubliek is er momenteel wijd en zijd weliswaar geen “pandemie” waar te nemen – maar net als hier te lande sjort de politiek reeds de vereiste regelgeving vast, voor als het in de herfst wederom losbarst. De nieuwe regelingen hebben het in zich.

De nieuwe, nieuw-bewerkte epidemiewet voorziet voor minister van Volksgezondheid Rauch (Groenen) in veelomvattende bevoegdheden, die tot en met stevige vrijheidsberoving gaan. De minister mag namelijk de bewegingsvrijheid van alle burgers aanmerkelijk inperken, zodra ze zijn aangestoken met een verplicht te melden ziekte – bijvoorbeeld griep. De minister kan vervolgens “bij decreet” laten vastleggen, dat de betreffende personen “worden beperkt in het verkeer met de buitenwereld”.

Als dit het geval is, kaan de minister van Volksgezondheid de Oostenrijkers in de toekomst de toegang tot alle plaatsen verbieden. Hieronder valt “Het verbod op het betreden en binnenrijden van bedrijfsobjecten, arbeidsplekken, bejaarden- en verpleegtehuizen alsook gestationeerde woon-inrichtingen gehandicaptenhulp en bepaalde plaatsen ter benutting van verkeersmiddelen en van samenkomsten”. De wetstekst spreekt verder van “bepaalde plaatsen en openbare plekken” voor samenkomsten – dus mogelijkerwijze ook van privéplekken.

Een andere formulering is nóg drastischer: Men hoeft niet eens ziek te zijn. De wetstekst spreekt van “zieken, van ziekte verdachte- of van besmettelijkheid verdachte personen”. Wat er verstaan kan worden onder “van ziekte- of van besmettelijkheid verdacht” wordt in de wetstekst niet uitgelegd. Maar: het ligt voor de hand, dat eenieder, die niet- of niet voldoende is gevaccineerd, wordt “verdacht van besmettelijkheid”. Wie ervan wordt verdacht, te zijn besmet met een geheel ongevaarlijke ziekte als de griep – bv. omdat hij niet is gevaccineerd – mag in de toekomst openbare- en andere plaatsen niet langer gebruiken voor samenkomsten, in zoverre de minister het verordent.

Bij uitzondering op deze regels voorziet de wet o. a. in het “bewijs van gering epidemiologische gevaar”. Dat kan bv. een vaccinatiebewijs zijn. Wie niet is gevaccineerd, zal in de toekomst in Oostenrijk niet eens meer mogen gaan demonstreren.

De nieuwe Oostenrijkse epidemie-wet hekt er dermate in, dat verdere protesten zijn voorgeprogrammeerd. Ook in het buurland wordt aangetoond: De politiek is niet van plan, het onderwerp “Corona” reeds te begraven. Het zou wel eens een hete herfst kunnen worden. (mü)

Door: Redactie ZUERST!
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://zuerst.de/2022/06/15/auch-in-oesterreich-corona-inszenierung-geht-im-herbst-in-die-naechste-runde/

De macht van de Globalisten: De mierenhoop van de Wereld

Door: SELBERDENKER (deel II)

Op de weg naar de nieuwe mierenhoop van Klaus Schwab is het niet alleen belangrijk, door middel van onteigening van vrije mensen afhankelijke knechten te maken maar ook om controle over de massa’s te krijgen.

Door de “zegeningen” van de digitalisering door smartphones sociale media, “Corona-Apps”, elektronische betaling enz. weet men niet alleen wat de mensen consumeren, welke voorliefdes en contacten ze hebben men weet ook hoe ze zich bewegen en waar ze zich ophouden. Camera’s met gezichtsherkenning dienen niet alleen ter ontsluiting van smartphones of ter afweer van terrorisme, ze kunnen ons zo ook onze vrijheid afnemen. Iedere burger wordt een gemakkelijk te bewaken object. De vrijheid wordt beknot, bewaakbaarheid komt voor haar in de plaats.

Het digitale geld van de Centrale bank zou deze vrijheid ook kunnen verstoren. Van planningen https://www.zeit.de/politik/ausland/2022-03/usa-joe-biden-notenbank-digital-dollar-kryptowaehrung De is reeds sprake. De Deutsche Bank wil al gauw geen contant geld meer uitgeven https://www.tagesschau.de/wirtschaft/unternehmen/deutsche-bank-bargeld-schalter-101.html. Mieren dienen bewaakt te kunnen worden , zodat jullie scharrelaars beheersbaar en berekenbaar blijven.

Ze willen niet langer vrije individuen die tezamen economie bedrijven, ze willen gereguleerd gebruiksvee, waarmee ze gemakkelijker economie kunnen bedrijven en calculeren. Een zinnebeeld hiervoor is de nieuwe smartphone-mens. De smartphone is praktisch,, maar het schept niet meer individualisme zoals wordt voorgespiegeld,, maar het tegendeel. Hier zitten de mensen in de trein en staren naar hun mobiel. Iedere mier voor zichzelf. Geen oogcontact, geen smalltalk, geen glimlachje.

Het eerste “goedemorgen” wordt pas gewenst, daar, waar men zijn functie inneemt,, op de werkplek. De mens is een functie-eenheid of wordt door de sociale staat ingezet als consumptie-eenheid. De apparatuur vervangt in toenemende mate het sociale contact. Men heeft duizend vrienden bij Facebook, niettemin helpt niemand jen bij een verhuizing. De wereld wordt steeds sterker waargenomen via het beeldscherm. Wat via het beeldscherm komt en wat niet, dat beslissen evenwel de nieuwe bewakers over de alomtegenwoordige, toenemende censuur.

Oppermachtige tegenstanders

Langzamerhand worden de mensen aldus daarheen gedreven, waar ze misschien helemaal niet heen willen. Nochtans gaat het de massa ogenschijnlijk goed. Evenwel, wanneer eerst het eigendom is geroofd, digitaal geld en het digitale gezondheids-ID zijn ingevoerd, dan is er geen weg terug meer.

De tegenstander schijnt oppermachtig te zijn. Maar misschien ontstaat er een gemeenschap van de meest uiteenlopende mensen uit verschillende landen, die mogelijk in het verleden nog bittere vijanden waren. Een dergelijke gemeenschap kan vervolgens tegen de mordor ingaan. Uiteindelijk komt het echter nog steeds aan op het individu, zo klein als hij of zij ook mag zijn.

Deel I: Socialisme van de superrijken of democratie van de VIP’s

Door: SELBERDENKER
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://www.pi-news.net/2022/06/die-macht-der-globalisten-der-weltameisenhaufen/

De macht van de globalisten: Socialisme van de superrijken of democratie van de VIP’s?

Door: SELBERDENKER.

Wat was een knecht? Een knecht was een onvrij mens een dienaar een afhankelijke arbeider.
Landsknechten of wapenknechten streden niet voor hun eigen politieke belangen maar voor het geld of voor de gunst van voor een deel de meest verschillende heren en dier politieke ambities.
Wie iemand wil “knechten”, wil hem zijn zelfbeschikking afnemen. Zelfbeschikking is alleen mogelijk in onafhankelijkheid. Eigendom zorgt voor onafhankelijkheid. Wie mensen wil knechten dient hen allereerst hun eigendom af te nemen.

“U zult niets bezitten en gelukkig zijn https://www.youtube.com/watch?v=Hx3DhoLFO4s.” Deze zin hebben veel mensen al gehoord. Het is de planning van het Wereld Economisch Forum (WEF) van Klaus Schwab https://www.pi-news.net/2021/08/die-offene-herrschaft-eines-elitaeren-schwab-kultes/. Vertaald betekent het waarschijnlijk eerder dit: “U zult niets meer bezitten daardoor in onafhankelijkheid raken – en vervolgens zullen wij gelukkig zijn!” De eerste onteigeningen van de burgers vinden al plaats De politiek tot stand gekomen inflatie heeft geen ander resultaat dan onteigening. In de komende tijd zal het met grote waarschijnlijkheid nog erger worden. Onteigeningen zullen worden gemotiveerd met “Corona” en met “de oorlog in de Oekraïne”. Er wordt al gediscussieerd over een EI-vermogensregister https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/E-9-2022-000447_DE.html. “
Lastencompensaties” en onteigeningen van grondbezit duiken op aan de horizon. Het nieuwe socialisme komt pas op gang.

Vrijwillig knechtendom

Ook deze keer zal het resultaat geen gerechtigheid zijn maar wederom slechts ellende en onvrijheid. De afhankelijken blijven afhankelijk. Middenstanders en welgestelden worden afhankelijk gemaakt doordat hun bedrijven worden geruïneerd en belastingtechnisch uitgemergeld totdat ze hun laatste bezit moeten verkopen. De controle over hun bezit, over de laatste voorwerpen van waarde worden vervolgens overgenomen door de staat en door zeer weinige volledig onderscheiden superrijken met almachts-ambities.

Het nieuwe front ontstaat niet tussen armen en rijken, vrouwen en mannen, zwarten en blanken homo’s en hetero’s, het ontstaat nog niet eens tussen “Links” en “Rechts”, maar tussen zeer weinige superrijken, hun profiteurs enerzijds – en de rest van de mensheid anderzijds. Aan de ene kant staan heel weinig mensen, aan de andere kant heel veel. Ligt het dus niet voor de hand, al deze groeperingen tegen elkaar op te hitsen, opdat zij hun ware, hun gemeenschappelijke tegenstander niet herkennen?

Voor de vorm leven wij in een democratie. In theorie zijn er geen knechten, alleen burgers. Er zijn verkiezingen en in de regel worden zij gekozen, die over de media de meeste macht konden uitoefenen. In een voorgelichte samenleving zou dat anders zijn, maar helaas hebben wij die niet. Wie in een democratie wil heersen, moet voorgelichte burgers overtuigen, of, voor het geval die dun gezaaid zijn, de meerderheid afstompen en dominantie uitoefenen over de machtigste media. Dat is dan eerder een mediocratie https://www.pi-news.net/2021/01/2021-offener-uebergang-von-der-demokratie-zu-einer-mediokratie/. Weinig mensen oefenen door middel van hun geld en hun media sterke invloed uit op het stemgedrag van de massa’s. Zoiets zou ook “Democratie van de VIP’s” genoemd kunnen worden. Wie hier niet zelfstandig denkt, maakt van zichzelf geheel vrijwillig een knecht.

Door: SELBERDENKER.
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://www.pi-news.net/2022/06/macht-der-globalisten-superreicher-sozialismus-oder-vip-demokratie/

Zware beschadigingen bij kinderen door schoolsluitingen wegens Lockdown

Door: Redactie PP.

Een studie van Unesco toont aan, dat de voortdurende schoolsluitingen in Duitsland geen uitwerking hebben gehad op de incidenties bij kinderen onder de 19 jaar. Daarentegen leidden ze tot overgewicht, eetstoornissen, depressies tot en met toenemende cijfers van suïcide-pogingen aan toe, zoals de “Life-Child-Studie” bevestigt. Nicole Höchst reageert

De directeur van de polikliniek voor kinder- en Jongerenmedicatie van de Universiteit Dresden en lid van de Raad van Deskundigen van de Duitse regering, Dr. Reinhardt Berner, heeft in het kader van een meta-analyse verschillende internationale studies beoordeeld over de gevolgen van schoolsluitingen en Lockdowns voor kinderen en jongeren. De resultaten zijn zowel unaniem als schrikbarend:

Zware psychische en fysieke beschadigingen bij een hele generatie

Zo toont een studie van Unesco dat de voortdurende schoolsluitingen in Duitsland geen uitwerking hadden op de incidenties bij kinderen onder de 19 jaar. Daarentegen leidden ze tot overgewicht, eetstoornissen, depressies tot en met toenemende aantallen van zelfmoordpogingen, zoals Leipziger “Life-Child-Studie” bevestigt.

De kinderen werden afgehouden van contacten met vrienden en leeftijdgenoten,
sportbeoefening werd verboden, zelfs het bezoek aan speeltuinen werd verhinderd. Alles bij elkaar zijn er zware psychische en fysieke beschadigingen te constateren bij een hele generatie.

Politiek en samenleving hebben deze aanmerkelijke beschadigingen vergoelijkend op de koop toegenomen, zonder dat hiervoor een dwingende noodzaak bestond. Dit is nu definitief wetenschappelijk vastgesteld. Thans wordt aangetoond, hoe gerechtvaardigd de eisen van de AfD-fractie zijn geweest, om onze kinderen niet uit te maken voor ‘virusverspreiders’ en om de scholen open te houden.

Mondmaskerplicht was zinloos

Ook de onverdraaglijke mondmaskerplicht op de scholen was zinloos. Maar de gevestigde politiek heeft met een ongelofelijke arrogantie alle waarschuwingen van de medische wetenschap – zoals, bijvoorbeeld, die van professor Kiess, directeur van de kliniek voor kinder- en jongerenmedicatie aan de Universiteitskliniek Leipzig – afgeslagen. Men heeft tegen beter, algemeen beschikbaar weten in, een hele generatie beschadigd.

Ik sluit mij hier uitdrukkelijk aan bij de stemmen vanuit de wetenschap, en eis een verklaring zonder enig hiaat, over hoe de Corona-maatregelen onze kinderen hebben beschadigd. Bovendien mogen deze maatregelen ten koste van de jonge generatie zich nooit meer herhalen.

Geen verdere populistische maatregelen

Een nieuwe mondmaskerplicht eisen, zoals bijvoorbeeld minister van Volksgezondheid Lauterbach nog onlangs in ZDF deed, moet beslist worden afgewezen.

De gevestigde partijen moeten eindelijk terugkeren naar een op feiten gebouwde politiek en wetenschappelijke verklaringen ondersteunen. Verdere populistische maatregelen ten koste van onze kiinderen en jongeren wijs ik uit volle overtuiging af.

https://twitter.com/stohr_klaus?ref_src=twsrc%5Etfw%7Ctwcamp%5Etweetembed%7Ctwterm%5E1534278738304806912%7Ctwgr%5E%7Ctwcon%5Es1_&ref_url=https%3A%2F%2Fphilosophia-perennis.com%2F2022%2F06%2F08%2Fschwere-schaeden-bei-kindern-durch-lockdown-schulschliessungen%2F

Door: Redactie PP.
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://philosophia-perennis.com/2022/06/08/schwere-schaeden-bei-kindern-durch-lockdown-schulschliessungen/