Vonnissen in het Bataclan-proces: Levenslang voor hoofddader

Door: Redactie ZUERST!

In november 2015 vond in Parijs de tot nu toe ernstigste islamitische terroristische aanslag in Europa plaats. Een om en nabij 20-koppig islamitisch terreur-commando bestormde op 13 november de concertzaal “Bataclan” en doodde bij elkaar 130 bezoekers, gedeeltelijk op beestachtige manier. De daders beschoten bovendien bars en restaurants in de omgeving van “Bataclan”, en drie zelfmoordenaars bliezen zichzelf tijdens een voetbalinterland op. De daad werd toen opgeëist door de islamitische terroristische organisatie “Islamitische Staat” (IS).

Thans werden in Parijs de vonnissen tegen de daders uitgesproken: De enige overlevende van het terreur-commando, de hoofdbeklaagde Salah Abdeslam, werd werd schuldig bevonden, evenals 18 van de 19 overige beklaagden. Abdeslam werd schuldig bevonden aan terrorisme en moord en kreeg levenslange gevangenisstraf onvoorwaardelijk. Het proces heeft negen maanden in beslag genomen.

Justitie houdt de 32-jarige man voor de sleutelfiguur in de aanslagen. De verdediging verzocht, met het oog op mogelijke latere strafverkortingen, om Abdeslam geen “langzame doodstraf” te geven. Hij werd reeds in België tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld en zit momenteel in Frankrijk onder buitengewone omstandigheden vast.

Van de overige 19 beklaagde mannen waren er slechts zes bij het proces aanwezig. Eén beschuldigde zit vast in Turkije, vijf zouden er in Syrië om het leven gekomen zijn. De beklaagden zouden o. a. voor papieren hebben gezorgd, Abdeslam het land uit gesmokkeld hebben of verhinderde daders zijn. (mü)

Door: Redactie ZUERST!
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://zuerst.de/2022/06/30/urteile-im-bataclan-prozess-lebenslaenglich-fuer-den-haupttaeter/

Individueel geval: Afgeslagen hoofd gevonden voor Rechtbank Bonn

Door: Manfred Rouhs.

In het ‘beste Duitsland aller tijden” rollen al sinds jaren koppen. Wie de slachtoffers zijn, is bekend. In Bonn lag op 29 juni 2022 het afgeslagen hoofd van een 44-jarige dakloze voor de rechtbank. Op een kerkhof in Koblenz vonden rechercheurs in 2018 het onthoofde lijk van de 59-jarige dakloze Gerd Michael Straten. De politie is op zoek naar parallellen tussen beide misdrijven.

In verband met de zaak van Bonn werd een 38-jarige verdachte gearresteerd. Hij zat roerloos naast het hoofd en ondernam geen vluchtpoging. De man, over wiens nationaliteit de politie geen mededelingen doet, is, net als het slachtoffer, dakloos, maar daarnaast beken bij de politie wegens drugsdelicten.

De keuze van de slachtoffers sluit een – hoe dan ook – georganiseerde achtergrond van de daden blijkbaar uit. Desondanks zijn gevolgtrekkingen mogelijk over een probleem, dat elk betreurenswaardig individueel geval overkoepelt:

In juli 2021 stierf een 54-jarige dakloze op een bank in een park in Hannover na messteken.

Eveneens in juli 2021 slachtte een 22-jarige Somaliër in een onderkomen voor daklozen in het Beierse Woud een 52-jarige medebewoner met 111 messteken af en sneed hem het hoofd af. Hij had bij de daad stemmen gehoord, werd voor gek verklaard en weggesloten in de psychiatrie.

Een maand later sterft een 35-jarige man in een door messteken van een 25-jarige Afghaan in een onderkomen voor vluchtelingen en daklozen in Greven in Noordrijn-Westfalen.

In een onderkomen voor daklozen in Sigmaringen sterft in maart 2022 een 28-jarige man door messteken.

Enz., enz., enz. …

We zullen nog allemaal om het leven worden gebracht door de messen-cultuur. Het valt te vrezen!

Door: Manfred Rouhs.
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://www.pi-news.net/2022/06/einzelfall-abgetrennter-kopf-vor-bonner-landgericht-gefunden/

Het nieuwe LGBTI-totalitarisme: Londense meubelboulevard verdrinkt in het homo-vlagvertoon

Door: Redactie ZUERST!

Momenteel vinden overal in Europa – met uitzondering van enkele ‘dwarse’ naties in Oost-Europa – wederom de jaarlijkse Christopher-Street-Days en “Pride”- homo-optochten plaats Hierbij is van de oorspronkelijke eis voor tolerantie voor seksuele minderheden intussen niet veel meer over – LGBTI vertoont inmiddels onmiskenbaar totalitaire trekjes.

Vanuit het Londense Regent Street gaat in deze dagen een beeld de wereld over: Aldaar werden 100 stuks van de “interseksuele Pride-vlag – een variant van de “klassieke” regenboogvlag”- ruimte-beheersend over de straat opgehangen. De indruk van de alomvattende optische aanwezigheid van de kleuren van de regenboog stoorde kennelijk zowel vele gebruikers van het Internet, als voorbijgangers – want de echo op de actie is doorgroeid.

Het totalitaire aspect van dde LGBTI-ideologie werd hierbij over het algemeen tot onderwerp gemaakt. Zo schreef een internetgebruiker op Twitter: “Dwarsliggende ideologie is totalitair, de symboliek is intussen angstaanjagend en staat niet meer voor de LGB-Community (Lesbiennes, homo’s en biseksuelen). Ze wordt exclusief, niet langer inclusief.”

De nieuwe “interseksuele Pride-vlag”, die in de openbare ruimte in toenemende mate de plaats inneemt van de eenvoudige regenboogvlag, werd ontworpen door Valentino Vecchietti van “Intersex Equality Rights UK”. Als uitbreiding van de “Pride- of Regenboogvlag” tot nu toe vertoont ze een nieuwe gele driehoek en een lila cirkel, teneinde de interseksuele gemeenschap aldus nog definitiever te representeren voor de openbare waarneming. Vecchietti gaf bij het vlagvertoon in Regent Street als commentaar: “Wij allen profiteren ervan, als wij de stemmen van de meest uitgeslotenen in onze gemeenschappen verheffen.” (mü)

Door: Redactie ZUERST!
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://zuerst.de/2022/06/28/der-neue-lgbti-totalitarismus-londoner-nobelmeile-versinkt-in-schwulenbeflaggung/

Zwembad-waanzin: De zoveelste kloppartij in Berlijn

Door: Manfred Rouhs.

Net een week geleden werd Het openbare leven opgeschrikt door een multiculturele kloppartij in het ZZomerbad aan het Insulaner in Berlin-Steglitz (https://www.pi-news.net/2022/06/massenschlaegerei-in-berliner-freibad/). Nu moest het in opspraak geraakte Columbiabad in Berlin-Neukölln zelfs worden ontruimd en gesloten, omdat de politie een opstand van jonge Arabische mannen niet onder controle kreeg.
Foto’s en video’s van de gebeurtenissen zijn er tot nu toe nog niet. Echter wel een bericht van de “Bild”-krant https://www.bild.de/regional/berlin/berlin-aktuell/sommerbad-neukoelln-frau-21-an-rutsche-die-nase-gebrochen-80526682.bild.html

Volgens dit bericht zou het weer zijn begonnen met waterpistolen. Een jongeman zou vervolgens een jonge vrouw vanaf korte afstand waster in het gezicht hebben gespoten waarop zij hem zou hebben bespuugd. Hierop verpulverde de man zeer on-charmant het neusbeen van de 21-jarige vrouw. De politie en medewerkers van een veiligheidsdienst kwamen opdagen, maar werden in het nauw gedreven door 250 jongemannen uit Neukölln. De beheerder zag hierop geen andere uitweg meer dan het zwembad te ontruimen en te sluiten.

De “Welt” citeerde daarnaast in het kort Peter Harzheim,
https://www.welt.de/politik/deutschland/video239499617/Gewalt-im-Freibad-Sehe-hauptsaechlich-Personen-mit-Migrationshintergrund-auf-den-Bildern.html, de president van het Rijksverbond van Duitse badmeesters. Die merkte op, dat geweld in het zwembad “op de grote steden waarin verschillende culturen leven, is gefixeerd”. Op de beelden ziet hij “hoofdzakelijk personen met migratie-achtergrond”.

Dit vat de situatie heel goed samen.

Aan het Columbiabad in Berlin-Neukölln ligt het in elk geval niet. Dat is modern, mooi, rustig en vredig – elke morgen, vóór zijn deuren worden geopend voor badgasten. De mensen zijn het probleem!

Door: Manfred Rouhs.
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://www.pi-news.net/2022/06/freibad-irrsinn-die-naechste-massenschlaegerei-in-berlin/

Klimaat-saboteurs terroriseren Berlijn: Maar Justitie komt niet in actie

Door: Redactie ZUERST!

Berlijn. Oh wee, als dit “rechtsen” waren geweest – staat en autoriteiten zouden allang met de “volledige hardheid van de wet” bij de hand. Maar linkse klimaat-sektariërs hebben kennelijk gekkenvrijheid en hoeven niet te vrezen voor sancties.

Al sinds weken laten zogeheten “klimaatbeschermers” van de groepering “Laatste Generatie” door middel van blokkades en opzettelijke belemmering van het verkeer van zich spreken. Alleen in Berlijn al klinken de overwegend minderjarige “activisten” zich in talrijke gevallen vast aan het wegdek, of vallen op door geklieder met verf. zo werd er zwarte verf tegen een muur van de Kanselarij geslingerd.
Alleen al in de laatste paar dagen scheef de politie bij elkaar meer dan 100 boetes uit. De meeste wegens provocatie en verzet, een paar ook wegens huisvredebreuk.

Maar: Consequenties heeft het kennelijk niet. De Berlijnse Senator van Binnenlandse Zaken Iris Pranger (SPD) bekritiseert zowel de acties als de Berlijnse justitie: “Ik veroordeel de acties”, aldus Pranger, “en ik verwacht, dat Justitie snel ingrijpt”, zei ze. Het is jammer dat er nog steeds geen sprake is van ook maar één proces.”

Feitelijk voert Justitie Berlijn naar eigen zeggen weliswaar “bij elkaar 59 processen, hoofdzakelijk wegen verdenking van provocatie en van verzet tegen ambtenaren in functie, in een paar gevallen wegens de aanklacht van gevaarlijke aanvallen in het verkeer op straat”, zoals de autoriteiten desgevraagd meedeelden. Maar: “in alle processen duren de onderzoeken ter verdere opheldering van de huidige stand van zaken nog voort, zodat er tot nu toe noch aanklachten, noch begonnen zaken zijn.

De politie spreekt zelfs van “intussen meer als 60 zaken”, die aan Justitie zijn toegestuurd, maar weer teruggekomen zijn. Alleen in de loop van de eerste golf van protesten aan het begin van het jaar had de politie 485 onderzoekszaken aangespannen. Maandag kwamen daar nog eens 28 aangiftes van strafbare feiten bij, Dinsdag waren het er 80.

Het tempo dat politie en Intern Beheer aanhouden, is echter kennelijk tevergeefs Een reden daarvoor leverde de Berlijnse justitie reeds in februari. De straatblokkades zijn niet geschikt voor zogeheten versnelde rechtszaken. “Die zijn bedacht voor eenvoudige strafrechtelijke zaken met bestendige daders. Hier hebben wij doorgaans te maken met complexe zaken”, zei de toenmalige autoriteitswoordvoerder Martin Steltner.

Ook de poging, de demonstranten te laten betalen voor de door hen veroorzaakte politie-inzetten, heeft tot nu toe niets opgeleverd. Zo had Senator Spranger reeds in februari de herziening van de tariefregeling ten bate van de politie aangekondigd.

Misschien heeft de trage omgang met de betrapte klimaat-saboteurs ook een zeer banale reden: het Justitieel apparaat is in het rood-rood-groen geregeerde Berlijn in handen van de justitiële senator Lena Kreck van de LINKSE PARTIJ. (st)

Door: Redactie ZUERST!
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://zuerst.de/2022/06/24/klima-saboteure-terrorisieren-berlin-aber-die-justiz-kommt-nicht-in-die-gaenge/

Een slag voor de transatlantici: Italiaanse Vijf-Sterren-Beweging spat uiteen vanwege Oekraïne-politiek

Door: Redactie ZUERST!

Rome. In Italië heeft de ruzie over de Oekraïne-politiek binnen de regering-Draghi voor een politieke aardbeving gezorgd: Minister van Buitenlandse Zaken Di Maio is na hevig gekrakeel uit zijn partij, de Vijf-Sterren-Beweging gestapt. Die behoort weliswaar tot de ondersteunende alliantie van de regering, maar staat kennelijk op springen. Di Maio wil nu een nieuwe parlementsfractie in het leven roepen, de Oekraïne-koers van Draghi wederom onomwonden steunt.

Het opstappen uit de partij van Di Maio is het gevolg van ruzies tussen hem en de voormalige Italiaanse premier en huidige Vijf-Sterren-baas Giuseppe Conte, onder andere over wapenleveranties aan de Oekraïne. Over deze kwestie is al geruime tijd een diepe scheur door de partij ontstaan, maar ook door het gehele openbare leven in Italië. Di Maio verwijt een hele serie Sterren-politici, met hun houding het risico te nemen, het land te verzwakken.

Het is een feit, dat de Oekraïne-politiek van de partijloze regeringsleider Draghi binnen de Vijf-Sterren-Beweging buitengewoon heftig omstreden is. Partijleider Conte eiste uiteindelijk, aan de Oekraïne geen wapens meer te leveren en in plaats daarvan in te zetten op diplomatie.

Di Maio was vanaf 2017 bijna drie jaar lang zelf voorzitter van de Vijf-Sterren-Beweging, tot hij in januari 2020 bekendmaakte, af te zullen treden. Volgens berichten in de media ondersteuners uit zijn kamp vanuit de Vijf-Sterren-Beweging meenemen naar de nieuwe partij ‘Insieme per il futuro’ (Gezamenlijk voor de toekomst). Teneinde deze groep parlementariërs in de Senaat en het Huis van afgevaardigden over de drempel te kunnen krijgen, dient hij een minimum aantal aan parlementariërs te bereiken.
Volgens de berichten in de media hebben al 60 Sterren-parlementariërs toegestemd.

De Vijf-Sterren-Beweging was sinds de parlementsverkiezingen in 2018 de grootste partij in het Italiaanse Twee-Kamer-parlement. Inmiddels heeft ze sterk aan betekenis verloren. Bij de gemeenteraadsverkiezingen medio deze maand in bijna 100 steden en gemeentes bereikte ze nog maar iets meer dan twee procent.

Het Italiaanse partijenspectrum is weer eens behoorlijk in beweging geraakt – Dit geval toont aan, dat de Rusland- en Oekraïne-politiek van de West-Europese regeringen op geen enkele manier in beton gegoten is. Ook als gevolg van het verkiezingsresultaat in Frankrijk zou het Trans-Atlantische kamp in de EU spoedig wel eens door verdere schokken kunnen worden bezocht. (mü)

Door: Redactie ZUERST!
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://zuerst.de/2022/06/23/ein-schlag-fuer-die-transatlantiker-italienische-fuenf-sterne-bewegung-spaltet-sich-wegen-ukraine-politik/

Conferentie over Corona: Lauterbach dreigt met 1500 Corona-doden per week

Door: David Berger.

Momenteel zitten de ministers van Volksgezondheid van alle 16 deelstaten samen met Bondsminister van Volksgezondheid Karl Lauterbach aan een “grote conferentie over Corona”. Hierbij lijkt Lauterbach opnieuw in te zetten op angst- en paniekzaaierij.

In elk geval als de informatie, die bij “Bild” is binnengekomen, klopt https://www.bild.de/bild-plus/politik/inland/politik-inland/article-62b2e8f257f1341f93d0fd3f-80476892.bild.html. Lauterbach tekent hierbij in zijn strategie-documentatie een waar horrorscenario:

In de winter opnieuw een radicale lockdown?

“Scenario 3” gaat ervan uit, dat er spoedig een nieuwe, extreem-besmettelijke en gevaarlijke Covid-variant zal opduiken, bij welke zelfs de vaccinnatie-junkies “bij aanwezigheid van risicofactoren een zwaar verloop ontwikkelen”. Dit zal leiden tot een “sterke belasting” van de IC’s – wat dat ook wil zeggen. Derhalve stelt Lauterbach een totale uitbreiding voor van de zogeheten beschermingsmaatregelen, zodat ons vermoedelijk in de winter opnieuw fundamentele grondrechten gedwongen worden ontnomen.

“Scenario 2” valt niet zo vreselijk heftig uit, maar zer eveneens in op ongegronde paniekzaaierij: Het ziekmakende effect van Corona blijft qua omvang van morbiditeit van de varianten BA.4, BA.5 enBA.2.121. Het zal komen tot besmetting van talloze mensen en tot arbeidsuitval: “ook als erin dit scenario geen rekening wordt gehouden met overbelasting van IC’s, is er op papier sprake van “het gebied bestrijkende maatregelen” zoals “mondmakers en afstand houden in binnenruimtes” en contactbeperkingen op lokaal niveau (https://www.bild.de/bild-plus/politik/inland/politik-inland/article-62b2e8f257f1341f93d0fd3f-80476892.bild.html).

1500 Corona-doden per week

Het tweede scenario geldt binnen het Duits ministerie van Volksgezondheid als het meest waarschijnlijke. Hierbij zou – zonder naar verdere maatregelen te grijpen – moeten worden uitgegaan van ca. 1500 Corona-doden per week”, zoals het op papier heet.

Als consequentie hiervan plant het Duits ministerie van Volksgezondheid een nieuwe bestelling van enorme hoeveelheden aan vaccinatiestoffen en een kosten-intensieve vaccinatiecampagne vanaf september. Van zijn concept van massale testen lijkt Lauterbach te hebben afgezien. Ook van kinderdagverblijf- en schoolsluitingen is niet langer sprake.

Alles bij elkaar krijgt men bij het lezen van de door “Bild” gepubliceerde inhoud de indruk, dat Lauterbach onnder de last van de feiten gedwongen schijnt te zijn, zijn meest extreme voorstellingen te laten varen. Van een overbelasting van de IC’s lijkt nu geen sprake meer, ook de vaccinatieplicht voor iedereen lijkt vooralsnog van tafel te zijn. Gaat het er nu alleen nog maar om, het gezichtsverlies niet te groot te laten worden?

Rot op!

Lauterbach kan zich echter draaien of keren, zoveel als hij wil, Voor hem is er maar één antwoord:
ROT OP! (Was te horen op de begeleidende video, die helaas niet overgenomen kon worden – vert.)

Door: David Berger.
Vertaling: Theresa Geissler.
Bron: https://philosophia-perennis.com/2022/06/22/corona-konferenz-lauterbach-droht-mit-1500-corona-toten-pro-woche/

LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (slot)

Screenshot_29

(De nu volgende serie van zes artikelen is bij uitzondering geen Duitse actualiteit, maar Nederlandse historie.

Hij ontstond in de jaren, waarin ik reageerde, vertaalde en publiceerde op de site van E. J. Bron. Na rijp beraad besloot ik, hem in zijn geheel naar Theresa’s Visie over te brengen: Het is de geschiedenis van mijn familie, waardoor ik hem beschouw als mijn eigendom en dat van deze site. Hier Deel 6, slot)

De Wederopbouw: Laatste poging tot herstel van vooroorlogs Nederland.

Alle begin is moeilijk, en dat gold zeker voor een pasgetrouwd katholiek stel in het nèt-naoorlogse Nederland van 1946. Een stel, dat op veel cruciale punten werkelijk van toeten noch blazen wist, al waren beiden inmiddels de dertig gepasseerd! Het moet mijn moeder altijd dwars zijn blijven zitten, want zo ongeveer een halve eeuw na dato, toen ik inmiddels zelf al moeder van twee kinderen was en gelukkig oud genoeg om het zonder al te veel gêne aan te horen, bekende ze me onverwachts dat de huwelijksnacht “een rámp” geweest was: “Je vader kón het helemaal niet.” Oh. Ik vroeg niet door, maar wachtte maar af, of er nog meer zou volgen, en jawel: Tegen de ochtend, begreep ik er uit, was het nóg niet gebeurd en had hij met een erectie gezeten, die niet meer wilde verslappen, zodat hij naar de huisarts had gemoeten voor een “ontspannende” injectie.

Die huisarts had, voorzichtig, nog wat vragen gesteld, waarop mijn vader had bekend: Nee, ze hadden nog geen verdere ervaringen; nóg niet, “want mijn vrouw is steeds blijven zeggen: ‘Ik wil mijn kinderen later recht in de ogen kunnen kijken´.” Nogmaals oh. Van mijn kant, althans: Die dókter schijnt, als je tenminste de versie van mijn moeder geloven moest, bewonderend uitgeroepen te hebben: “Wat een vrouw,” na mijn vader de verlossende injectie te hebben toegediend en hem daarop te hebben laten gaan met de dringende aanbeveling: “En laat vanaf nu uw vrouw zeker één of twee weken met rust, vóór U het wéér probeert.” Zó ging dat dus kennelijk nog in 1946, al hoeft het geen betoog dat mijn moeder dit op een enigszins triomfantelijke toon vertelde. Nette katholieke vrouwen wisten doorgaans van niets en wilden óók niets; nette katholieke mannen wisten doorgaans evenmin ergens van, maar wílden meestal gráág. Zo zag de kerk het waarschijnlijk ook het liefst: Het stond garant voor datgene waarnaar zij streefde, namelijk een zo groot mogelijk nageslacht verwekt door een minimum aan verwerpelijke hartstocht, iets wat zij trouwens met bijna alle religies, overal ter wereld gemeen had – en heeft.

Een aantal jaren vóórdat mijn moeder dit gebeuren er nog eens uitgooide, was mijn vader, toen nog in leven, eveneens openhartig. Letterlijk bekende hij bij die gelegenheid: “Ik verwachtte veel van een huwelijk met je moeder, omdat ze echt bloedmooi was. Ik moest er pas later achter komen dat zoiets niet betekent dat ze er ook veel voor voelen.” Ik vrees, dat dit het lot was dat hij toentertijd met zo’n 75% van alle getrouwde mannen deelde. Maar ja, dat was, zoals het was en het leven ging door:  Zoals in deel 5 reeds verteld, vertrok Huub al snel doordeweeks iedere morgen naar zijn ´administratieve´ post in Amsterdam en was, bijna als een gewone kantoorman, ’s avonds rond half acht thuis, dat wilde dan zeggen: Op de huurkamertjes bij de Hartoghs. In die tussentijd zou Leonie in dat piepkleine huishoudinkje maar weinig omhanden gehad hebben, als zus Cis en zwager Wence het, na een pauze van zo’n vier, vijf jaar, niet kennelijk weer eens tijd hadden gevonden voor gezinsuitbreiding – mèt de gebruikelijke, tussentijdse bloedingen, of die nu op een dreigende miskraam duidden of niet, dus daar gíng Leonie weer. Het enige verschil was dat ze niet hoefde  blijven slapen. En tussen de middag, als de vier oudste kinderen na hun middagboterham weer naar school waren en hun moeder sliep, kon ze ook wel eens een paar uurtjes terug naar het Scharlo: Een paar boodschappen doen, even, waar nodig, de boel wat redderen….. Gelukkig was het Scharlo, zeker in die tijd, een echte winkelstraat, waarin bakker, slager, groenteman en kruidenier niet ontbraken. Weliswaar was alles op de bon, maar goed, de plekken waar je die bonnen kon inwisselen, waren bij de hand en dat was al wàt. In aanmerking genomen dat, zoals eveneens in deel 5 verteld, het station zich pal om de hoek bevond, was het alles bij elkaar helemaal niet zo’n gekke plek om te wonen….als ze maar een volledige, eigen etage hadden gehad.

Dikwijls nam mijn moeder tijdens zulke middag-intermezzo’s het jongste nichtje, Carla, achter op de fiets mee. Carla was toen vier en had normaal gesproken eveneens op school, zij het dan op de kléuterschool, moeten zitten. Het had zo zijn redenen dat ze daar op dat moment níet zat, maar daarover direct meer. Het moet toen al een bijzonder leuk kind geweest zijn, met het donkere uiterlijk van de van Vughten, mooie donkere ogen, al waren ze in die periode wat loens wegens vitaminegebrek, en daarnaast was ze opvallend bijdehand: Treffend kon mijn moeder beschrijven hoe ze peinzend op de drempel van de kleine huiskamer zat, terwijl ze “Tante Mop”, zoals alle neefjes en nichtjes Leonie pleegden te noemen, gadesloeg bij het één of andere klusje, en plotseling, met een haar typerende keel-r vroeg: “Tante Mop, U heeft geen kinderrtjes, hè?” “Nee……Nóg niet.” “Oh.” Stilte. Dan: “Zou U ze wel willen hebben?” “Natuurlijk, iedereen wil die graag hebben.” “Oh.”  Andermaal stilte, waarop de onthulling: “Ik ga bidden dat U geen kinderrtjes krrijgt.” Dáár kijk je dan, als volwassene, wel even van op. “Zó, jij bent een mooie,” schijnt Tante Mop hierop half lachend gereageerd te hebben, waarop het kind, bloedserieus: “Ja, want als ons Moederr dan weerr een kindje krrijgt, kan U ons niet meerr komen helpen, als U zelf kinderrtjes heeft.” Opvallend diep doorgedacht voor een vierjarige, die, laten we ons dat wel even realiseren, als jongste deze situatie toch nog maar voor het eerst meemaakte! En tevens sprak er wel uit hoe dol de kleine meid, evenals haar oudere broer en zusjes, op “Tante Mop” was.

Maar ik zei dus al dat Carla in die periode eigenlijk op de kleuterschool had moeten zitten. Dat zat ze niet, omdat Moeder Cis haar dat jaar, met het oog op een paar gure septemberdagen, naar school had gestuurd met een lange broek aan, die waarschijnlijk in het pakket van de Amerikaanse zending gezeten had. Zeker de eerste twee jaar na de bevrijding liepen zij en haar twee jaar oudere zusje Ank met die ‘Amerikaanse’ kleren, waarin ze er overigens erg armoedig uitzagen, maar zo’n broek hield je tenminste nog warm. Nu valt het voor te stellen dat meisjesbroeken in de V.S. eerder waren ingeburgerd dan hier, zeker op katholieke scholen, die toen nog overwegend onder het beheer van de ‘nonnen’ vielen en voor hèn waren broeken voor meisjes, ook voor kleine meisjes, nog taboe. Carla werd dan ook prompt naar huis gestuurd met het bevel eerst iets anders aan te trekken – of misschien er een rok overheen aan te trekken, dat werd niet duidelijk, want Cis, zoals we ons herinneren beduidend minder meegaand dan zus Leonie, verordonneerde prompt dat het dan van haar helemáál niet meer hoefde: Het was per slot van rekening nog niet de lagere school; het was de kleuterschool maar. Haar dochtertje was over twee jaar pas leerplichtig, dus bleef het kind voortaan thuis. Carla zelf toonde zich volkomen content met die situatie, zoals bleek toen de zuster-hoofdleidster enkele weken nadien met haar klasje een wandeling maakte, die door de Lyceumstraat voerde, waar de kleine meid vergenoegd zat te spelen op de stoep. Op haar – naar ze dacht- genereuze tegemoetkoming: “Luister, Carla, als je moeder je voortaan een rokje aantrekt, zoals het hoort, kun je morgen al terugkomen op school”, kwam als antwoord een uitgestoken tong, vergezeld van een triomfantelijk: “Bèèèèèh! Ik hoef lekkerr tóch niet van m’n moederr!” En dat wàs het wat ik ervan vernomen heb.

Maar het was zeker waar: Na, tijdens de Bezetting, bepaalde dingen af en toe door de vingers te hebben moeten zien in verband met noodsituaties, probeerde thans de gevestigde orde, niet in de laatste plaats de katholieke geestelijkheid, met hand en tand de waarden van vóór de oorlog weer te herstellen. In ’45, in de roes van de bevrijding, waren genoeg Nederlandse meiden ‘gevallen’ voor de Canadese bevrijders, die maar al te vaak stilzwijgend van mening waren geweest dat ze ‘recht’ hadden op dit verzetje na de ontberingen van de strijd en na enkele maanden weer vertrokken waren, hun ‘vriendinnen’ met méér dan een gebroken hart achterlatend. Zeker in katholieke kring werd dit onverkort op de vooroorlogse manier opgelost, door de ‘gevallenen’ zeker tot ná de bevalling naar tehuizen voor ongehuwde moeders te sturen en hen te dwingen het kind af te staan ter adoptie. Ook andere roomse rituelen, gebruiken, normen en waarden werden, waar mogelijk, in oude luister hersteld; men trachtte, zogezegd, zich opnieuw terug te trekken in de oude “Zuil,” ontoegankelijk voor anderen. Aanvankelijk leek het effect te hebben, al zou het met de jaren geen blijvend effect blijken te zijn. Oorlogen brengen wel degelijk een veranderde mentaliteit teweeg, al kan het soms enige tijd vergen eer die verandering zichtbaar wordt; in dit geval de tijd die de wederopbouw zou gaan duren.

In 1948 was Huub dan eindelijk eervol uit de Krijgsdienst ontslagen en had hij een betrekking geaccepteerd bij de Noorderbank in Alkmaar. Langer dan anderhalf jaar zou hij daar niet werken: Hij introduceerde in die periode een vernieuwend boekhoudkundig systeem, in verband waarmee hij verschillende aanbiedingen ontving van Amsterdamse banken om het bij hen in praktijk te komen brengen. Tenslotte zou hij kiezen voor de Bank van Zuid-Afrika, later omgedoopt tot Nederlandse Overzee Bank, die op haar beurt in de jaren ’70 met Mees&Zoonen zou fuseren tot Bank Mees&Hope. Daarna zou nóg een fusie volgen met de ABN-Amro, zij het met behoud van eigen identiteit.

Maar voorlopig even terug naar 1948: In die periode trouwde dan eindelijk ook Harry, als laatste van de kinderen van der Wiel, met een meisje uit Nibbixwoud, Tiny Moeskops. Door de omgeving werden ze algemeen wederzijds als een goede partij voor elkaar gezien, met name omdat ze uit een gelijksoortig ‘nest’ kwamen: Beide met een hoofdonderwijzer als vader. Bij nadere beschouwing echter rammelde er hier en daar wel het één en ander: Tiny was de middelste van drie zusters, waarvan de oudste, Bep, de truttigste en meest oninteressante van de drie geweest schijnt te zijn, terwijl de jongste, Truus, wel enige natuurlijke ‘klasse’ gehad schijnt te hebben, wat in zekere zin heel waardevol voor Harry geweest zou zijn: Niet alleen was hij, zoals in vorige delen reeds vermeld, gemeentesecretaris in Obdam, maar koesterde hij in die tijd tevens ambities om deze of gene burgemeesterspost in de wacht te slepen. Als hij als ‘aanstaande’ voor de charmante, niet on-stijlvolle Truus had gekozen, was hem dit misschien ook gelukt, maar hij maakte de fout om zijn oog te laten vallen op haar veel lichtzinniger, ‘goedkoper’ ogende zuster….. en zou prompt nooit burgemeester worden. Op zijn beurt bewees hij er Tiny evenmin een dienst mee: Zij had hevige twijfels of ze hem wel wilde. Ze had toen al scharrelpartijen met diverse, totaal verschillende types achter de rug en op de laatste, wist ze heel zeker, was ze ècht stapelgek geweest…..Maar hij was van beroep buschauffeur, wat voor de dochter van een hoofdonderwijzer al niet geschikt werd geacht en, klap op de vuurpijl, hij was niet katholiek. En dat laatste deed onherroepelijk de deur dicht. Een huwelijk was bij voorbaat uitgesloten, oordeelde de omgeving. Men oefende druk uit op de jonge dochter om tóch voor Harry van der Wiel te kiezen en met grote twijfel in het hart gaf ze tenslotte toe….. zodat, toen Huub en Leonie de morgen van de bruiloft in Huize Moeskops arriveerden – want Huub zou ceremoniemeester zijn – ze de bruid in vol ornaat op een stoel vonden zitten met de ineen gezakte houding van een treurende weduwe…..

Jaren later, ik zal een jaar of 17 geweest zijn, vond ik ergens op zolder een programmaboekje van die bruiloft, waarmee ik, stíklachend om de oer-flauwe commentaren en nóg flauwere bruiloftsliedjes, zoals ze toen in zwang waren, de trap af kwam. Mijn moeder gaf onmiddellijk toe dat het een opgeschroefde, in wezen droevige vertoning was geweest: Te beginnen met die treurende-weduwe-als-bruid, via het feit, dat er aan alles tekort was geweest (tijdens de receptie, die middag, hadden de genodigden tot het diner een tijdje moeten gaan wandelen omdat er anders niet genoeg drank geweest was) tot het moment waarop het bruidspaar had moeten vertrekken en bruid Tiny zich hysterisch snikkend aan haar moeder had vastgeklampt en niet had willen loslaten. (“Néé, néé, ik wil niet weg, ik wil bij jou blijven!”) Moeder Moeskops, anders geen doortastend type, had zich zowaar even weten te vermannen en zich met moeite losgemaakt met een redelijk kordaat: “Nou, kom op, hoor: Je bent nou getrouwd; ga met je man mee!” Maar het hele tafereel had een nogal rare indruk gemaakt. (zal misschien, onuitgesproken, niet haar móeder geweest zijn, waar Tiny zo om huilde.) Hoe het ook zij: “In de trein op weg naar huis hebben je vader en ik óók wel moeten lachen,” gaf mijn moeder tenslotte toe, “Voornamelijk om de beroerdigheid….” Overigens kregen Harry en Tiny wèl drie kinderen. Alleen bij Leonie en Huub wilde het lange tijd niet lukken…..

De verhouding met de Rotterdamse schoonfamilie verliep intussen stroef en dat zou er met de jaren niet beter op worden. Ik weet om te beginnen al niet eens zeker of er bij de huwelijksvoltrekking in ’46 wel iemand van de familie van der Kaaij aanwezig was. Jans en Bertus in geen geval: Bertus was toen al zwaar ziek; het zouden zijn laatste maanden worden en het sprak vanzelf dat Jans thuis bleef om hem te verplegen. Mogelijk zijn bijvoorbeeld Annie en/of Jo wel geweest: Met name Annie heeft, voor zover ik weet, haar hele leven wel haar best gedaan om bij zulke gelegenheden acte de présence te geven. Ze had een erg hartelijk karakter en is zelfs haar laatste levensjaren voor mijn  jongens nog een schat van een oudtante geweest. Wat niet wegneemt dat er een periode geweest is, waarin mijn moeder ook aan háár vreselijk de pest had, en dat dan ook niet onder stoelen of banken stak. De aanleiding? Och, laten we het er op houden dat die uitstekend gepast had in Bert van Leeuwes’ “Familie-diner”: Zoiets kleins, waarbij aanmerkelijk méér gevoelsmatigs onder de oppervlakte ligt – direct nog wat meer erover. Het was hoe dan ook duidelijk dat beide familiekarakters niet goed matchten.

Kort na de bruiloft waren Leonie en Huub dan maar in Rotterdam op bezoek gegaan, waarschijnlijk op dàt ogenblik nog in de Insulindestraat. Bertus had in de achterkamer op bed gelegen, niet langer in staat om op te staan. Mijn moeder gaf overigens volmondig toe dat hij haar in een onbewaakt ogenblik bij zich had geroepen, haar handen in de zijne had genomen en nadrukkelijk gezegd: “Leonie…..onthoud goed, dat jij nu óók mijn dochter bent….” Vanzelfsprekend had haar dat ontroerd. Maar twee maanden later was de goede man overleden en moest mijn moeder het zien te rooien alle overlevenden van het ‘kluwengezin’ en dan in het bijzonder met schoonmoeder Jans, die haar stiekem waarschijnlijk verweet dat ze één jong uit het zo hechte nest had weten te lokken. De eerste stekeligheden kwamen voort uit de kloof die gaapte tussen het Brabants-katholicisme van de van der Wielen en het biblebelt-katholicisme van Jans, herhaaldelijk tot uiting gebracht in de vorm van zogenaamd “grappige” sneren van de kant van de laatste. Jans had trouwens ook nog een broer, Gert, veekoopman op de Zuid-Hollandse eilanden, die mijn ouders, tot leedwezen van mijn moeder, tijdens hun familiebezoeken óók nogal eens aantroffen in de Insulindestraat, later de Rodenrijselaan. Meestal ging hij dan wel vergezeld van zijn vrouw Willemien, volgens mijn moeder een erg lief mens, dat echter niets in te brengen had. Met name één van zijn “geestigheden” waar Leonie de rest van haar leven niet over uitgepraat zou raken, legde de kiem voor haar verdere antipathie tegen de hele familie: “Zeg, jullie hebbe nog geen kinderen, wel? Kúnne jullie ‘et niet? Huub, mot ik es komme?”, waarbij het haar, begrijpelijk, vooral stak dat het hele aanwezige gezelschap, Huub incluis, er eensgezind om zat te lachen, onder het motto: “Het is maar een ouwe man.” Inderdaad was dat een eigenaardig trekje van Huize van der Kaaij: Die houding van “Het is een ouwe man.” “Oude mensen mogen van mij alles zeggen,” beweerde mijn vader zelfs zijn hele leven openlijk, iets, waarmee hij mij later eveneens het bloed onder de nagels vandaan kon halen:  Niemand, ook oude mensen niet, hadden volgens mij het recht om de grofste beledigingen uit te braken, nog maar afgezien van de vraag of zo’n stelling wel ècht getuigde van respect voor ouderen: Je nam ze op die manier immers niet serieus. Dàt was nu eens één van de zeldzame dingen waarin ik mijn moeder gelijk gaf, een aspect ook van het typische ‘Rotterdamse gevoel voor humor’ dat ik niet altijd heb kunnen volgen.

Toch moet ook Leonie na verloop van tijd gezien hebben dat het altijd nog erger kon: Ook Walter raakte “aan de vrouw”, en wel op de onvoordeligst denkbare manier, doordat hij zijn Rotterdamse vriendinnetje, Annie Opmeer, zwanger had gemaakt. Hij had op dat moment werk noch vooruitzichten, dus dat werd na een overhaast huwelijk, een zogeheten ‘moetje’, blijven intrekken bij Moeder Jans plús volwassen kinderschare aan de Rodenrijselaan. Een toestand die meerdere jaren zou gaan duren en tijdens welke het niet eens bij één kind zou blijven: Begin jaren ’50, bij een nieuw familiebezoek, trof Leonie haar schoonzusje in bed aan, nog bloedend na een miskraam, uitgeput, slecht verzorgd en in tranen om de hele situatie: De kinderen, de ruim twee jaar oude Heleen en de éénjarige Albert, huisden de meeste tijd beneden bij grootmoeder – de tantes, evenals oom Stef, de hele dag naar hun werk – die Albertje het grootste deel van de dag in zijn kinderstoel liet zitten, van top tot teen ingesmeerd met de één of andere zalf, omdat hij aan ‘huiduitslag’ leed en die Heleentjes prachtige lange, rode krullen allemaal had laten afknippen, omdat een kort kopje “praktischer” was en “netter” stond. Het moet alles bij elkaar op dat moment een hèl geweest zijn voor hun moeder, waaruit ze pas wéér een paar jaar later kon ontsnappen, doordat Walter en zij toen een kruidenierszaak wisten te beginnen, elders in Rotterdam. Daarvoor was uiteraard financiële ondersteuning nodig, waarbij het voor de familie een uitgemaakte zaak was dat een ieder er een zo groot mogelijke maandelijkse bijdrage voor ophoestte. Leonie maakte bezwaar tegen de grootte van het bedrag, waarop Huub en zij door de familie waren ingeschat, omdat ze in die tijd nèt de hypotheek voor hun nieuwe huis op te brengen hadden, wat, naar het schijnt, de hoofdoorzaak is geweest voor de, zacht uitgedrukt, sterk bekoelde band met haar schoonfamilie, die de “Brabants-katholieke” (voornamelijk op initiatief van Jans) ervan beschuldigde, niet loyaal te zijn aan de rest.

Ja, in 1950 hadden mijn ouders hun eigen huis betrokken: Een rijtjeshuis in de Anna van Burenstraat, één van de eerst opgetrokken straten in wat later wijk Overdie-Kooijmeer zou worden. Weliswaar hadden ze het voorlopig niet voor zich alléén: Deze huizen waren opgezet als ‘duplexwoningen’, wat betekende dat kinderloze echtparen, tenminste tot de gezinssituatie zich zou wijzigen, minstens één vertrek er in ter beschikking moesten stellen voor ‘inwoning’, zoals zij tot dan toe bij de Hartoghs gehad hadden. Tja, de woningnood…. Maar dat nam toch niet weg dat ze er qua woonruimte in ieder geval op vooruit gingen en trouwens: ZIJ waren nú de hoofdbewoners, wat al een wereld van verschil maakte. Het lag aan de andere kant van het oude centrum van Alkmaar, een flink eind van het station, maar geen nood: De locatie lag daarentegen vlakbij de Kennemerstraatweg, ter hoogte van de Heilooërdijk. Huub had voor zichzelf als spoedig uitgemaakt dat hij ’s morgens prima langs die weg naar Heiloo kon fietsen en dáár op de trein naar Amsterdam stappen. Op die manier had hij Station Alkmaar niet langer nodig. Hij is dat ook decennialang blijven doen: Zelfs toen hij al lang en breed auto reed, bleef hij bij mooi weer regelmatig de fiets pakken voor die dagelijkse tochten.

Nog steeds kondigde zich geen gezinsuitbreiding aan, maar wel kregen Huub en Leonie in die periode de kans om ‘proef te draaien’ als een soort ‘pleegouders’: Zus Miep, die intussen met haar gezin ook weer in Alkmaar woonde, was bevallen van haar zesde kind, Elsje, dat, na een moeizame bevalling, met een hazenlipje geboren was en niet ouder dan een half jaar zou worden. Om haar zware taak wat te verlichten, namen Tante Mop en Oom Huub de tweejarige Ruud, de op één na jongste, voor zes weken in huis. Tot volle tevredenheid van de logé, die nadien nog verschillende keren terugkeerde, want hij vond het er heerlijk! Tegen mij heeft hij later wel bekend: “Weet je dat er wel een tijd geweest is dat ik jaloers was op jóu? Oom Huub was als een váder voor mij en ik vond Tante Mop zó lief, dat ik wel gewild had dat zij mijn moeder was!” Nu had ik intussen zelf uiteraard de keerzijde van mijn moeders karakter, met alle minder prettige aspecten, leren kennen, maar niettemin begreep ik onmiddellijk wat hij bedoelde, wèl als je mijn moeder vergeleek met Miep. Miep was doodgewoon vreemd. Vreemd geworden bij de nonnen. Haar hele verdere leven één en al klagerigheid, verongelijktheid en opstandigheid. Ze had natuurlijk, het is al in een vorig deel vermeld, een slappeling als echtgenoot getroffen, waaraan ze weinig steun had, wat het wel verergerd kan hebben. Afgezien van Elsje had ze vijf gezonde kinderen gekregen, een situatie waarover ze óók weer regelmatig zat te klagen, bijvoorbeeld nog steeds over de moeite die het haar gekost had om ze tijdens de oorlog allemaal te eten te geven. “En nu nóg…..”. Eindeloos kon ze daarover in herhaling vervallen, totdat het (groot)moeder Fien ooit eens te gortig werd, zodat die haar, naar verluid, bij die gelegenheid afgekapt heeft: “Miep, hou op! Als al die kinderen je tóch te veel zijn, geef er dan één aan Leonie. Ruud, bijvoorbeeld. Ze zal er dolgelukkig mee zijn en er heel goed voor zorgen.” Einde klaagzang (voor dat moment) waarschijnlijk, want natuurlijk was dat zelfs voor Miep toch weer een brug te ver. Evenwel moest nu, na al die jaren, nog eens blijken, dat Ruud dat best zou hebben zien zitten!

En toen, het was inmiddels 1954, werd Leonie tóch nog eens zwanger. Op 39-jarige leeftijd en na acht jaar huwelijk! Af en toe gebeuren die dingen, met name als de vrouw afleiding vindt in een bezigheid die haar zich dáárop doet concentreren, in plaats van op de obsessieve kinderwens. En mijn moeder had in die periode net die afleiding gevonden in het Maatschappelijk Woonwagenwerk: De perikelen met onder meer de families Snijders, Schouten, Massink en Denie (En verdomd: Die namen kom je tegenwoordig nóg herhaaldelijk in de pers tegen, zodra het ‘kampers’ betreft) bleken louterend te werken: Ze zou ècht moeder worden! Na een nachtmerrie-achtige zwangerschap – negen maanden lang kotsmisselijk – en een verrassend makkelijke bevalling, in totaal niet meer dan twee uur zonder veel pijn en bijna zonder ‘inscheuring’  – werden Huub en zij op zondagmorgen 12 december 1954 om 00 .45 uur ’s morgens ouders van een dochter van 7,5 pond, voorzien van haar, vingertjes en teentjes. (De erfelijk overdraagbare, via grootmoeder Jans overgebrachte fysieke aandoening zou pas veel later geconstateerd worden, en vervolgens door mijn ouders half weggestopt, met alle gevolgen voor mij van dien. Enfin…..). Ondanks dat met moeder en kind, althans op het oog, alles goed was, bleven we in totaal 14 dagen in het ziekenhuis. Op mijn latere vraag waarom dat dan zo lang had moeten duren, kwam mijn moeder met een wat vage, vreemd aandoende verklaring dat er bepaalde kosten betaald moesten worden “en we mochten niet weg voor je vader die betaald had.” Gegijzeld dus? Ik vond het maar een vreemde uitleg. Achteraf vermoed ik dat er uiteindelijk iets anders achter zat: Iets dat te maken had met de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw, die pas in ’56 opgeheven zou worden: Hoe ongelofelijk het nu ook klinkt, tot die tijd werden alle kwesties als ziekenhuisopnames en dergelijke van de gehuwde vrouw over haar hoofd heen met de ECHTGENOOT geregeld en ik acht het zeer wel mogelijk dat mijn vader ons pas weer thuis heeft willen hebben op het moment dat zijn vrouw weer behoorlijk aan de slag kon: Hij was en bleef het verwende moeders zoontje uit het ‘kluwennest’ voor wie Moeder Jans zijn hele jeugd gedraafd had, en het vooruitzicht thuis nog enige tijd voor iemand te moeten zorgen, in plaats van andersom, zal hem wat te machtig geweest zijn, vermoed ik…..

Ik vroeg later nog eens aan mijn moeder of zij soms nog haar “Kerkgang” gedaan had, zes weken na de geboorte. Zij antwoordde: “Ja, natuurlijk.” Dat hoorde er gewoon bij. Ik vroeg haar of zij, en al die andere vrouwen in haar tijd dat dan niet vreselijk gênant vonden, zo’n reinigingsritueel “van het bloed der geboorte” voor je als vrouw weer goed en wel naar de kerk mocht. Uit haar reactie maakte ik op dat op dàt aspect door de kerk, heel slinks, inmiddels al niet meer de nadruk werd gelegd, maar eerder op de “dankbaarheid voor het moederschap…..” Ach ja……

Stand houden zou het tenslotte allemaal niet, die hele verzuiling, met al die oude normen, waarden en geloofsrituelen, maar het duurde allemaal even tot men in staat en bereid was één en ander los te laten, tot de jaren ’60 of daaromtrent. De Wederopbouw omvatte de laatste stuiptrekkingen van een tijdperk dat uiteindelijk tot het verleden zou gaan behoren, evenals de begrippen “kleinburgerij” en “Het Rijke Roomse Leven….” Alles gaat voorbij.

                                                                         E I N D E .

Door:
Theresa Geissler
(oorspronkelijk geschreven voor www.ejbron.wordpress.com)

LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven vaan de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (deel 5)

Screenshot_96

(Door: Theresa Geissler)

Werken en overleven tijdens en na de bezetting.

Na de geboorte van haar vijfde kind – vierde dochter – Carla in maart 1942 slaagde Cis Rupert, geboren Van der Wiel, er zowaar in een “zwangerschapspauze” van zo’n vier jaar in te lassen, zodat zus Leonie haar handen vrij had om eindelijk een ‘echte’ baan te accepteren; de eerste sinds het debacle in Amsterdam in 1938. Tevens haar eerste en enige kantoorbaan. Officieel was ze nu ‘typiste op het Landbouwhuis, afdeling voedselvoorziening, in Alkmaar. Kon Leonie dan typen? Niet echt, nee. Ze had er nooit een cursus in gevolgd. Voor zover ik weet, typte mijn moeder met twee vingers van elke hand, misschien rechts af en toe met drie. Maar blijkbaar werd dat voldoende geacht en bij nadere beschouwing valt wel te beredeneren, wat daar achter stak: Sinds het begin van de Bezetting in 1940 Stond het Landbouwhuis feitelijk ten dienste van het Derde Rijk, of directer, van het Nederlandse Rijkscommissariaat onder leiding van Arthur Seyss-Inquart, en daaraan wenste het betreffende ambtenaren-apparaat geen bijdrage van betekenis te leveren.

Vandaar waarschijnlijk dat men op dat kantoor stilzwijgend de strategie van het ‘lijntrekken’ was gaan volgen, onprofessionele krachten in dienst nam, zoals Leonie, en zich onuitgesproken meer bezighield met ondersteunende activiteiten voor het Verzet dan met de werkzaamheden waarvoor het ambtelijk orgaan eigenlijk bedoeld was. Werkstress als zodanig zou men bij de voedselvoorziening niet gauw oplopen; met anders soortige spanningen zou men af en toe des te meer te maken krijgen.

Mijn moeder werd opgenomen in een echt ‘meidenclubje’ van collega’s, waarvan in haar herinnering later nog enkele namen zouden blijven voortleven: Guur Schoonhoven – met wie ze in contact zou blijven en die trouwens later, in de jaren ’50, met haar gezin in dezelfde straat zou gaan wonen als Huub en Leonie. Bab van Eyck en Rie Deurloo, vijf jaar jonger dan mijn moeder, maar onmiskenbaar een “type.” Zij had op het kantoor algemeen de bijnaam “Dolly Dot”, naar ik begrepen heb een toenmalig bekend stripfiguurtje. Verder had de afdeling ook mannelijke werknemers, niet geheel toevallig bijna allemaal mannen die anders naar Duitsland hadden gemoeten. Onder hen bevond zich bijvoorbeeld een heuse baron: Baron van Bedum. Een jongeman, die er duidelijk totaal niet op was voorbereid ooit nog eens werk, van welke aard ook, te moeten verrichten, maar die nú voor het blok was gezet, wánt: anders Duitsland. Meestal zat hij zó pontificaal te lanterfanten achter zijn bureau dat het zelfs tegen de achtergrond van het systematisch in stand gehouden lijntrekkersbeleid negatief opviel. Dan gebeurde het wel eens, dat chef Ranzijn hem op schertsend-geaffecteerde toon kwam aanspreken: “Zàg, vriend, je bent dan wel baron, maar zou je ook niet eens een keer wat uitvoeren?” Waarop van Bedum meestal met een hartgrondige zucht zijn rug rechtte en tussen zijn tanden iets mompelde dat nog het meeste leek op: “Dat verdómd rótwàrk….” Voor Dolly Dot was dat dan het startsein om hem pesterig een toentertijd algemeen bekend liedje toe te gaan sissen: “Mijnheer de Baron is niet thuis. Hij is nu al wekenlang van huis. Hij maakt een expeditie naar het Noordpool-ijs. Mijnheer de Baron is niet wijs.” Die laatste twee woorden opzettelijk in de plaats zettend van de oorspronkelijke twee: “op reis.” Meestal reageerde hij met een kernachtig “Dolly Dot, houd je smóel”, waarbij hij het klaarspeelde zelfs dat “smoel” geaffecteerd uit te spreken, maar vroeg haar dan onverwachts op andere ogenblikken voor een avondje uit, wat zij dan weer steevast afwimpelde met een verachtelijk: “Je zolen!” Haar instinctieve minachting voor dit slag mannen, dat zich overal boven voelde staan, droop ervan af, tegelijk met het leedvermaak over het feit dat dít exemplaar nu eens gedwongen werd het lot van het ‘voetvolk’ te delen: Wat dat betrof maakte de bezetter geen onderscheid en daarvan was Van Bedum het tastbare voorbeeld.

Was er op deze afdeling een gewapende verzetsgroep binnengevallen met het doel distributiebonnen of dossiers buit te maken, dan had de hele afdeling prompt vrijwillig de handen in de lucht gestoken, onder het zingen van het Wilhelmus, zoals men het in de film “Pastorale 1943” heeft kunnen zien, maar als dat al een keer voorgekomen is, heeft mijn moeder er niet over verteld. Wèl over een ander ‘bezoek’ aan het kantoor: In 1942 was de jonge verzetsman Bram Daalder opgepakt en afgevoerd naar Buchenwald en nu kwam de SS haar opwachting maken omdat ze – terecht – vermoedde, dat men op de afdeling bekend was met Daalder’s connecties. Waarschijnlijk voor de duidelijkheid hadden ze hiervoor voornamelijk Nederlandse ‘kameraden’ gestuurd, die de personeelsleden scherp ondervroegen, maar daarbij, wonder boven wonder, binnen de perken bleven: Geen “apart nemen”, geen mishandeling, ook niet van chef Ranzijn, die vermoedelijk heel wat had kunnen vertellen als ze het hadden kunnen afdwingen. Mijn moeder werd door één van hen zo’n 20 minuten lang aanhoudend ondervraagd, wat voor haar een benauwende ervaring geweest is, maar waarbij hij er niet in slaagde enig feit van betekenis van haar aan de weet te komen. Later kwam het haar op één of andere manier ter ore dat hij zich na afloop beklaagd had: “Er zat daar een zwarte griet, en die zát me toch te liegen….!” Maar kennelijk was het hem niet gelukt de vinger op de zere plek te leggen. (Néé, natúúrlijk werd zo’n houding in het Nederland van ná de oorlog nooit beloond of zelfs maar gememoréérd: Dat was gewoon je plícht, nietwaar; dan hadden ze wel aan de gang kunnen blijven.)

In 1940 waren de Van der Wielen met het enige nog thuis wonende kind, Leonie, verhuisd naar Heiloo. (Harry, intussen gemeentesecretaris in Obdam, was ondergedoken en zat in het Verzet en Adriaan was, tussen haakjes, in ’36 ook al getrouwd met een meisje, genaamd Jeanne Snel uit Wognum en aldaar geïnstalleerd als gemeentearchitect.) Dat was gunstig voor Leonie’s baan op het Landbouwhuis: Van Heiloo naar Alkmaar was het niet te ver fietsen. Meestal reed ze samen met haar collega en vriendin Guur Schoonhoven – van gereformeerde huize, maar het is dan ook typerend hoezeer in de loop van de bezetting dergelijke levensbeschouwelijke tegenstellingen waren vervaagd. Meestal stuitten ze ’s morgens op hun route op chef Ranzijn, die dan het laatste stuk met ze op reed. Op zo’n morgen kondigde hij aan: “Meiden, ik breng morgen iemand mee…..Het neusje van de zalm. Ik zal ‘m wel ‘ns extra voorstellen; wie weet is het wat voor één van jullie. Hij hield woord, door de volgende dag op hun vaste ontmoetingspunt, speciaal ervoor afgestapt, te wachten – in gezelschap van Huub van der Kaaij, die de dames begroette met een gracieuze handdruk en een lichte buiging, want het is zijn hele leven een gewoonte van mijn vader geweest om elke ontmoeting zo charmant mogelijk te beginnen – de kunst om het een heel huwelijk vol te houden viel hem zwaarder. Zodra iedereen weer was opgestapt teneinde de weg naar kantoor te vervolgen, de heren voorop, de dames daarachter, informeerde Guur gedempt: “Wat vind jij ervan…?”  “Niets bijzonders”, was het antwoord.

De eerste indruk was aldus niet denderend. Maar dat zou veranderen. Hoe, dat heb ik mijn moeder nooit met zoveel woorden gevraagd. Het is zeer goed mogelijk dat mijn vader van zijn kant wèl meteen onder de indruk was van háár: Mannen vallen nu eenmaal in eerste instantie op het uiterlijk en het zij reeds vermeld dat Leonie een 27 jaar jongere uitgave was van haar moeder, Fien, die tenslotte de aandacht van vader Jan om dezelfde reden getrokken had. Voor modieuze kleren had ze eigenlijk nooit geld gehad, maar ze maakte in die tijd nog veel zelf en ze had een goed figuur. En aan de kapper leek ze dan af en toe wel eens wat uit te geven, want op de paar foto’s van haar uit die tijd die ik ooit te zien kreeg – op één ervan staat de hele kantoorploeg , tenminste de vrouwelijke kunne, afgebeeld – staat ze onveranderlijk met de overbekende ‘coupe’ die toen in de mode was: krullen boven het voorhoofd en laag in de nek, strak naar achteren gekamd bij de slapen, zoals bijvoorbeeld ook filmactrices als Rita Hayworth hebben gedragen.

De beweegredenen van mijn vader, kortom, vallen niet moeilijk voor te stellen. Rest nog er achter te komen wat de reden was dat haar gevoelens voor hèm langzamerhand ten goede veranderden. Ze zag hem om te beginnen dagelijks op kantoor. Het kan dus zijn dat haar gaandeweg dingen opvielen die zij positief beoordeelde en die op het eerste gezicht niet in het oog gesprongen waren. Verder kan het bijna niet anders of ze heeft bewondering gehad voor zijn aandeel in het verzet – hoewel ze dat in later jaren, in een periode dat ze minder tevreden over hem – en trouwens ook over zijn famílie – was, nogal kon bagatelliseren, zoals ze op zulke momenten alles van hem bagatelliseerde. Maar dat kon dan ook wel aan haar stemming van het ogenblik toegeschreven worden. Echter, huwelijkse sleur is, zoals gezegd, iets van later jaren. Nú was alles nog volkomen nieuw en hádden ze elkaar nog niet, dus de wederzijdse gevoelens kregen alle gelegenheid om te groeien. Wat mijn moeder er ooit van verteld heeft, komt er op neer dat ze definitief uitgesproken werden toen hij haar, de dag na Sinterklaas 1943, een suikerhart cadeau gaf, vergezeld van een rijmpje, dat ik praktisch vergeten ben, maar waarin hij zich ‘uitsprak.’ Op mijn vraag of ze dan vanaf dat moment verloofd waren, volgde evenwel een ontkenning: “Nee, verloofd hebben we ons nooit.” Wat mijn moeder daar dan eigenlijk onder verstond, weet ik niet precies, want natuurlijk waren ze vanaf dat moment met het suikerhart wèl verloofd, zij het dan officieus. Ik denk dat ze zich bij het woord ‘verloofd’ automatisch blind staarde op alle uiterlijke kenmerken van een verloving onder normale omstandigheden in vredestijd, compleet met ringen, cadeaus en receptie, wat natuurlijk in die tijd van bezetting en toenemende schaarste steeds moeilijker te realiseren viel.

Thuis stonden ze trouwens ook al niet te juichen. Wat daar achter stak, men kon er alleen maar naar raden. Het is natuurlijk mogelijk dat vader Jan en moeder Fien intussen al ingecalculeerd hadden,dat deze laatst overgebleven dochter bij hen zou blijven wonen en tot hun dood voor hen zorgen, zoals toen nog volkomen normaal gevonden werd. Hoe het ook zij, ze wensten niet zomaar hun zegen te geven en voerden als argument aan dat ze niet alleen te weinig van hem, maar ook van zijn familie wisten. Hij was weliswaar katholiek, zoals zijzelf, maar wat zei dat helemaal? In een geval als dit diende men gedegen inlichtingen in te winnen en Fien wist ook wel wie ze daarvoor kon vragen: Eén van haar broers, Marius, woonde per slot van rekening in Rotterdam, waar hij orthopedist geworden was. Ze schreef hem een brief met het verzoek informatie te vragen bij de pastoor van de parochie, bij welke de familie Van der Kaaij in de Insulindestraat (er woonde ook nog een familietak in “Het Park” met als stamvader Koos, broer van Bertus) aangesloten was. Marius gaf gehoor aan het verzoek en kon reeds kort daarop een positief bericht terugsturen: De betreffende pastoor had desgevraagd volmondig verklaard dat de familie Van der Kaaij uit keurige mensen bestond, waar niet dàt op te zeggen viel. Als hij voor één famlie zijn hand in het vuur kon steken, was het voor díe! En prima katholieken! Mocht Leonie echter gehoopt hebben dat haar ouders na het lezen van deze getuigenis hun twijfels wel zouden laten varen, dan kwam ze in eerste instantie andermaal bedrogen uit, want: “Die pastoor kan wel maar wat zeggen”, mopperde Fien, die mogelijk haar laatste strohalm met betrekking tot een qua verzorging verzekerde oude dag in rook zag opgaan.

Nu kan men met alles te ver gaan, en dat Fien, en ook Jan, voor wie het woord van de clerus, als het er op aankwam, hun hele leven wet was geweest, die in twijfelgevallen altijd de zijde van de religieuzen waren blijven kiezen en die daartoe zelfs vier jaar lang een uitgemergeld kind, ziek van heimwee, naar de nonnen hadden laten terugkeren, nú opeens doodeenvoudig durfden veronderstellen “dat zo’n pastoor wel maar wat kon zeggen”, louter om de laatst overgebleven dochter levenslang aan zich te binden, gíng te ver. Dat voelde zelfs Leonie, normaal gesproken de braafheid en inschikkelijkheid in persoon, steeds graag bereid om zich te gedragen zoals er van haar verwacht werd, aan. Terecht wenste ze geïrriteerd te weten: “Waarom vraagt U er dan naar?” Waarop haar moeder naar alle waarschijnlijkheid het antwoord schuldig gebleven is: Er wás doodgewoon geen antwoord. Tegenzin zonder concrete aanleiding houdt vrijwel nooit lang stand en ook hier zwakte het gaandeweg af. Er zijn zelfs aanwijzingen dat Leonie’s ouders zich steeds meer als schoonouders begonnen te gedragen en Huub als één van de hunnen begonnen te beschouwen, ook al zou het tot augustus ’46 duren eer het stel nog eens kon trouwen. Vooral hun bereidwilligheid om in ’44 Walter enige tijd in hun huis op te nemen, tot diens definitieve onderduikadres bij de Dikke Boer geregeld was, gold hier als een sprekend voorbeeld. Evenals het feit dat Fien na verloop van tijd ‘moederlijk’ over Huub begon te ‘bazen’. Zo confisqueerde ze nauwgezet alle flessen alcoholhoudende drank, die hij van tijd tot tijd wel via het verzet toegeschoven kreeg, met de woorden: “Geef hier: Die bewaren we voor jullie bruiloft”, iets waarbij mijn vader niet al te erg tegenstribbelde, omdat hij de zin er wel van inzag. Inderdaad was er, toen het op 22 augustus 1946 eindelijk zo ver was, beduidend meer drank voorradig dan bij het huwelijk van Harry, twee jaar later.

Nogal grappig vond ik het verhaal dat jaren geleden opdook, deze keer eens geen herinnering van één van mijn ouders, maar van een Brabantse nicht van mijn moeder, Elisabeth – meestal “Bieb” genoemd – van Vught. Of om precies te zijn: Rupert- van Vught, want na een groot deel van haar leven “overgeschoten” te zijn, werd ze ter gelegenheid van de zilveren bruiloft van Cis en Wence in 1958 succesvol gekoppeld aan Gerard, de enige broer van Wence, eigenaar van een nogal exclusieve meubelzaak in Purmerend. Die twee zijn alles bij elkaar nog zo’n 25 jaar redelijk gelukkig met elkaar geweest, tot Gerard getroffen werd door een beroerte, maar in 1944 was ze nog schutterig, verlegen en bovenal ledig. Tijdens de bezetting pleegde ze oom Jan en tante Fien nog wel eens in Heiloo te bezoeken en, zou ze later verklaren, ze had het toen ooit zo bijzonder gevonden dat Tante Fien op een avond zo losjesweg had gezegd: “Nou, Bieb, wij moesten alvast maar naar bed gaan, want Huub en Leonie zullen nog wel een potje willen vrijen.” Nog steeds klonken verbazing èn, ergens, bewondering door in haar stem, terwijl ze deze herinnering ophaalde. Mijn ouders konden het zich geen van beiden in eerste instantie als zodanig herinneren, maar gaven onmiddellijk toe dat het ergens wèl iets voor “Oma” was, zoals Fien, sinds de komst van de kleinkinderen, door twee generaties genoemd werd. “Dat was, omdat jij erbij was”, verzekerde mijn moeder, “Dan wilde Oma de vlotte vrouw uithangen.” Want Fien was in wezen helemáál niet zo ruimdenkend, al hadden jaren eerder in de Weere het fietsen, de Fil d’Ecosse kousen, het punthalsje en de Openbare H.B.S. voor haar oudste kinderen die indruk bij sommige kwezels wel gewekt. Het zij die kwezels overigens vergeven, want ook ík heb die strikte scheiding tussen uiterlijkheden en de angst voor “seks” (die mijn moeder tot in detail van haar had overgenomen) maar al te vaak tegenstrijdig en op z’n minst verwarrend gevonden en in mijn jonge(re) jaren vaak genoeg bij mezelf gedacht: “Fijn-gereformeerden bijvoorbeeld mogen dan misschien geen prettige mensen zijn, je weet wel, wat je er aan hèbt.” Fien zal er gewoon zeker van geweest zijn dat er, zelfs al gaf ze bij deze de gelegenheid tot “een potje vrijen”, zoals zij het dan noemde, helemaal niets beneden de gordel gebeurde; dat dit gewoon een uitgemaakte zaak was. En gelijk had ze, in ieder geval wat haar dochter betrof. Ook Huub, gelovige katholiek als hij was, schikte zich uiteindelijk in de onuitgesproken restrictie, maar dan wel met de gedachte in het achterhoofd om het allemaal dubbel en dwars in te gaan halen zodra het huwelijk eenmaal voltrokken zou zijn. Dat is een desillusie voor hem geworden, weet ik inmiddels, nog steeds het lot van véél zowel katholieke – als anders gelovige mannen van die generatie.

In januari ’45, toen de situatie ook in de Kop van Noord-Holland wat nijpender begon te worden, moest ook Leonie één keer op “hongertocht”, dat wilde zeggen: vanuit Heiloo per fiets, voorzien van ‘anti-plofbanden,’ richting West-Friesland, in een poging een voorraad eten te bemachtigen. Het was wel zó dat zij langzamerhand precies wist waar ze moest zijn; dat scheelde alweer iets, maar het bleef een lange, inspannende tocht, die bijna een hele dag in beslag nam. Op de terugweg – ze had inderdaad aardig wat weten te bemachtigen – sloeg het noodlot toe, doordat ze op een glad bruggetje een lelijke uitglijder maakte; kapotte knie en haar hele voorraad overal verspreid, natuurlijk. Net toen ze, ontredderd, weer probeerde óp te krabbelen, stopte er een op benzine rijdende transportwagen. Wehrmacht. Het portier ging open. Wat gebeurde er? Werd mijn moeder gemolesteerd? Opgepakt? Werden haar fiets en voorraad geconfisqueerd? Nee. De chauffeur en de bijrijder stapten uit. Ze vroegen, of ze konden helpen. Ze weigerde. Ze vroegen of ze een lift nodig had – dat dacht ze tenminste te verstaan. Ze schudde het hoofd. Tóch staken ze daarop zwijgend een helpende hand toe: Ze hielpen haar de voorraad weer bij elkaar te zoeken en extra stevig weer op de fiets vast te sjorren. Ze checkten of de fiets nog te berijden viel. Vervolgens stapten ze weer in de transportwagen en reden weg, zwijgend, begrijpend en naar het scheen met iets van medegevoel. Dat was verwarrend, zou ze later bekennen. Natuurlijk wogen de laatste loodjes, oftewel de laatste paar kilometers naar huis, het zwaarst. Eindelijk gearriveerd, werd Leonie opgevangen door een toch wel bezorgde Fien, die zo goed en zo kwaad als het ging de gewonde knie begon te redderen, terwijl vader Jan zijn aandacht richtte op wat zijn dochter had weten te vergaren. Zijn eerste commentaar: “Edde gin vlieës meegebracht?” Typisch commentaar van iemand die het zelf niet had hoeven halen. Het schijnt dat moeder Fien op dat moment toch wel even hartig uitgevallen is: “Schei toch uit, Gij! Ziede niet, hoe z’ er uitziet?!” En zelf zou ik, decennia later, bij het horen van dit verhaal half gekscherend informeren: “En wat zei jij toen? ‘Nou, ouwe man, dan ga je een volgende keer maar zèlf?”‘ Mijn moeder ontkende. Nee, dat haalde je toen niet in je hóófd om zoiets te zeggen.

Goed, op 5 mei 1945 was het dan zo ver: Heel Nederland was bevrijd – en stond op z’n kop, wekenlang! Alle dagen feest, zogezegd, iedereen leefde in een roes en uitgerekend de figuren die de hele oorlog geen vinger hadden durven uitsteken, zagen hun kans schoon! Landverraders arresteren, ha! Alleen jammer dat, door toedoen van dat soort lieden die amper wisten waar ze mee bezig waren, bijvoorbeeld óók leden van de N(ederlandse) S(chaak) B(ond) werden gearresteerd, op grond van het feit dat die afkorting in hun boekhouding werd aangetroffen. Of verzetsstrijders, die tijdens de bezetting op goede voet met de Duitsers hadden gestaan, teneinde belangrijke informatie te vergaren, dát werk. Om over het lot van de al dan niet vermeende “Moffenmeiden” maar te zwijgen. Het mocht dan zijn dat die wat te verwijten viel, de BS’ers van het eerste uur, die ook echt in het verzet hadden gezeten, hadden zonder uitzondering door dat dit in de twintigste eeuw in elk geval niet op een dergelijke wijze diende te worden beslecht! Maar het lukte hen, zeker de eerste weken, niet dergelijke escalaties in de hand te houden. Dat was dan ook één van de redenen dat de meeste van die èchte BS ‘ers al snel, na het verrichten van de belangrijkste aanhoudingen, hun armbanden weer inleverden, zoals reeds opgemerkt in deel 4: Met deze gebeurtenissen, die helaas niet geheel en al konden worden verhinderd, wensten ze niets te maken te hebben; hun taak zat er, zogezegd, óp.

Overigens herinnerde mijn moeder zich later dat ze tijdens de vele bevrijdingsfeesten van die eerste maanden voor het eerst kennismaakte met een onverschillig trekje van haar aanstaande dat haar behoorlijk tegenviel: Ter gelegenheid van een militaire dansavond was het de bedoeling dat de aanwezige dames zouden aantreden, voorzien van een boeket bloemen, die hen door hun partner zou worden aangeboden, zodra hij haar afhaalde. Ook Leonie ontving een beeldig boeket, waarmee ze erg ingenomen was. Tijdens de avond zelf echter kwam er op een gegeven moment een soldaat naast haar staan, die belangstellend informeerde: “Juffrouw, heb ik ze goed uitgezocht?” En toen ze de vraag niet direct begreep: “Ja, de Opper zei: ´Ik heb geen tijd om zelf bloemen te kopen voor mijn meisje, doe jij het even´.” De eerste domper. Er zouden er door de jaren heen nog vele volgen.

Zodra de eerste gekte was geluwd, moest begonnen worden met de wederopbouw, wat in eerste instantie betekende: Puinruimen. En de stelletjes, die zich tijdens de bezetting hadden verloofd en nu, na de bevrijding, wensten te trouwen? Het grootste obstakel was het vinden van woonruimte: Half Nederland lag in puin! Ook Leonie en Huub stonden voor dat probleem. Weliswaar was het een ‘basis’ dat Huub, zoals in deel 4 vermeld, als sergeant-majoor ingedeeld bij een administratieve afdeling in Amsterdam, zodra hij was getrouwd ingekwartierd kon worden bij zijn eigen echtgenote en in dat kader zelfs elke avond naar huis zou mogen, net als een ‘burgerlijke’ kantoorman, maar dan moest dat ‘huis’ er wel zijn. Het werd uiteindelijk de “oplossing” die veel stellen in die periode voor lief namen, louter omdat het alternatief was: Niet trouwen. Daarbij, wat men zich tegenwoordig niet altijd realiseert: in katholieke kring was het in die tijd nog steeds regel – en niet eens een ongeschreven regel – dat verloofde stellen niet alleen nog niet leefden als man en vrouw, maar zelfs “beter niet onder één dák konden slapen”, ook al was het bijvoorbeeld in aparte kamers! Ook Huub had om die reden gedurende hun hele verkeringstijd elke avond weer bijtijds terug gemoeten naar zijn kosthuis bij chef Ranzijn. En misschien nog het allersterkste: deze restrictie gold onverkort, zolang het Kerkelijk huwelijk niet gesloten was, ook al was men, om welke reden dan ook, inmiddels wèl búrgerlijk gehuwd! Wat ook regelmatig voorkwam, was uiteraard dat een stel trouwde en dan voorlopig bij de (schoon)ouders in ging wonen, maar het behoeft geen betoog dat dit niet bepaald een ideale start genoemd kon worden.

Deze “oplossing” was dat trouwens evenmin: het kwam neer op “inwoning”. Op het Scharlo in Alkmaar. In twee kleine kamers in de bovenwoning van een ouder stel, de Hartoghs. Met gebruik van keuken en sanitair. Bezoek ’s avonds mocht dan nog nèt (de Hartoghs namen tenslotte alleen ‘getrouwde’ mensen in huis, maar om bij het toilet te komen moest men door de slaapkamer van de hoofdbewoners, zodat dat bezoek vóór tienen ’s avonds gewaarschuwd moest worden: “Als jullie nog moeten, ga dan nú even.” Nee, ideaal was het allesbehalve en in deze tijd zouden zulke woonomstandigheden het stempel ‘onaanvaardbaar’ gekregen hebben. Maar het valt in deze tijd dan ook helemáál niet meer voor te stellen wat men allemaal voor lief diende te nemen na vijf jaar oorlog. Het enige positieve aspect van het nieuw woonadres was dat het station letterlijk om de hoek lag. Dat was natuurlijk wel meegenomen in verband met mijn vaders dagelijkse reizen naar Amsterdam en terug. Ach ja, tel uw zegeningen…..

Eindelijk, de 22ste augustus 1946, werd er tenslotte getrouwd. Het was, zeker voor díe periode, een mooie bruiloft, waar eigenlijk weinig aan ontbrak: zo had mijn moeder zowaar een heuse trouwjapon van ivoorkleurige satinette, in die naoorlogse tijd geen vanzelfsprekendheid, en was er, zoals eerder vermeld door Fiens’ strikte verzamelbeleid, die dag meer dan genoeg te drinken. Het bruidspaar werd vanaf Heiloo met een heel cordon van militaire jeeps naar stadhuis, kerk èn fotograaf gereden – bij welke gelegenheid de vrouw van de fotograaf, die nogal militaristisch ingesteld was, enthousiast haar echtgenoot geïnstrueerd schijnt te hebben: “Die jongens moeten er àllemaal op!” Van het verdere verloop van de bruiloft weet ik niet veel, maar men kan zich voorstellen dat de aanwezigheid van Huub’s dienst-makkers er wel een vrolijk tintje aan gegeven zal hebben. En tja…..Twee dagen na de bruiloft nam het gewone, naoorlogse leven vol schaarste weer een aanvang. Huub vertrok iedere ochtend met de trein naar Amsterdam en keerde meestal ’s avonds tegen achten weer huiswaarts. En Leonie? Wel, die vertrok twee weken na haar huwelijk overdag weer regelmatig naar de Lyceumstraat: Cis was inmiddels zwanger van haar zesde kind……

(Wordt vervolgd)

Door:

Theresa Geissler
(Oorspronlelijk geschreven voor www.ejbron.wordpress.com)

Het Rijke Roomse leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij (Deel 4)

(De nu volgende serie van zes artikelen is bij uitzondering geen Duitse actualiteit, maar Nederlandse historie.

Hij ontstond in de jaren, waarin ik reageerde, vertaalde en publiceerde op de site van E. J. Bron. Na rijp beraad besloot ik, hem in zijn geheel naar Theresa’s Visie over te brengen: Het is de geschiedenis van mijn familie, waardoor ik hem beschouw als mijn eigendom en dat van deze site. Hier Deel 4);

Screenshot_2

Hij, die het eerst uitvloog…

Het was wel een typische speling van het lot dat Huub, in de tóch al kluwenachtige Rotterdamse familie van der Kaaij het meest bedeesde, teruggetrokken moedersjochie, uitgerekend de eerste was die genoopt werd voor enige tijd het nest te verlaten. Maar het feit lag er: Als enige ingeloot voor de militaire dienst en zonder medische of psychische klachten die hem er nog onderuit hadden kunnen helpen. Hij ging dus – het zal wel onder tranen van moeder Jans geweest zijn, al heb ik daar nooit met zoveel woorden iets over gehoord – en….wel, hij redde het. Getuige de manier waarop hij er nog decennia lang over zou praten, redde hij het zelfs góed en deed er ervaringen en vaardigheden op die hem onherroepelijk onthouden waren geweest als hij thuis gebleven was!

Dat realiseerde hij zich ook wel, al bracht hij dat nooit letterlijk naar voren: De ongeschreven code luidde nu eenmaal dat de diensttijd iets was om op te kankeren en kankeren zóuden ze, zowel tijdens de bewuste periode als achteraf, al schiep dat aan de andere kant dan weer automatisch de saamhorigheid, die later vrijwel altijd als zoiets positiefs ervaren zou worden. Dat begon al tijdens de lange marsen, gepakt en bezakt ondernomen, tijdens welke de klaagliederen opborrelden die het harde lot der dienstplichtigen moesten illustreren. Tenminste één ervan herinnerde mijn vader zich aldus:

“Wie zijn vader heeft vermoord”
“En zijn moeder heeft vergeven” (vergiftigd)
“Die is nog veel te goed”
“Voor het soldatenleven.”

Evenwel:

“Eens komt voor ons de tijd
“Dat we d’ rotzooi gaan verlaten”
“Vervloekt zij ’t regiment”
“God zeg’ne de soldaten!”

En natuurlijk het befaamde “Rats, kuch en bonen”, dat in die tijd al in alle uithoeken van de wereld in alle denkbare varianten gezongen werd. Zó letterlijk hoefde je dat ook weer niet te nemen, gaf Huub achteraf toe: op zichzelf was het eten dat in de kazernes werd voorgeschoteld redelijk. Alleen was het wèl een nadeel dat er, heel eenzijdig, alleen maar op gelet werd of het ‘stevige kost’ was en op geen enkel ander aspect, zodat het kon gebeuren dat ze hartje zomer, na een hele dag exerceren in de brandende zon, als avondmaaltijd erwtensoep of hachee kregen voorgezet, niet bepaald de meest geschikte maaltijd in zulke omstandigheden. (Menigeen zal zich nu misschien herinneren, dat er in die tijd eveneens een soldatenliedje circuleerde, dat heette: “Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?”, maar het moge duidelijk zijn dat zulks bij hoge temperaturen echt niet nodig was om de hele compagnie ertoe te brengen “z’n eten te laten staan.” En uitgerekend op zulke momenten, zou mijn vader zich later herinneren, vond een misselijk Tweede Luitenantje, ene Jhr. Groenincx van Zoelen, het opeens nodig een “inspectieronde” langs de schragen tafels te maken en deze of gene die duidelijk achter een vol bord “voor de brug zat” quasi achteloos met een geaffecteerde castraten-stem toe te spreken: “Zeg-eh….. moet jij niet eten?” “Nee, Luit.” “Zo….”-korte stilte- “Waaróm niet?” ” ‘k Voel me niet goed, Luit.” “Zo….”- opnieuw een korte stilte; dan, met een licht triomfantelijke stembuiging: “Dan zou ik, als ik jou was, dit weekeinde maar eens ter observatie de ziekenboeg in gaan en níet met verlof.” Dat soort stekeligheden, beweerde mijn vader, had hij nodig, omdat hij verder niet genoeg omhanden had: Hij was ook nog een blauwe maandag kapitein geweest, maar toen weer gedegradeerd wegens gebleken ongeschiktheid, Het zat er dik in dat zijn familie hem de krijgsmacht had binnengeloodst, omdat ze niet geweten hadden wat ze anders met hem aan moesten: Zulke figuren kwam je tenslotte in elke adellijke familie regelmatig tegen. Maar als rekruut zat je er nu maar móói mee!

Als mijn vader eerder bijvoorbeeld H.B.S. had gehaald, had hij de kans gehad om van deze pedante nitwit op z’n minst te gelijke te worden, want gewoon dienstplichtige of niet, iedereen met een schooldiploma op dat niveau belandde automatisch in de officiersopleiding, omdat het toen nog zo relatief weinig voorkwam. Hij had, zoals reeds in deel 2 opgemerkt, slechts vierjarige MULO, dus werd het, volgens hetzelfde principe, voor hem de onderofficiersopleiding. Niet dat het van hem nu zo nodig hoefde, maar dat was nu eenmaal de standaardprocedure. Behalve het leidinggevende aspect was er nog iets wat een onderofficier onderscheidde van een gewoon soldaat, namelijk: Het recht om een pistool bij zich te dragen. Een dienstplichtige leerde natuurlijk al om met een geweer oftewel karabijn om te gaan – en daarnaast trouwens om dat geweer perfect te onderhouden; daar werd, met alle reden, uiteraard streng op toegezien. Men kan stellen dat de vaardigheid om te kunnen schieten – en het geweer tegelijk in perfecte staat te kunnen houden – door de bank genomen het grote verschil uitmaakt tussen diegenen die de militaire dienstplicht hebben vervuld en zij, die dat níet hebben gedaan. Maar het bereiken van de onderofficiersrang voegt daar dan nog een extra dimensie aan toe in de vorm van een andersoortig wapen! Die voldoening mocht Huub dan ook aan den lijve ondervinden, zodra hij maanden later de opleiding had afgerond en de eerste morgen na zijn bevordering met zijn nieuwe dienstpistool op appèl verscheen. De sergeant van zijn batterij, die hier niet op was voorbereid, begon onmiddellijk te blaffen: “Waar is je karabijn?” “Ik heb hier mijn pistool.” “Deugt geen donder van: Je moet een karabijn hebben!” “Nee. Sinds gisteren ben ik zelf sergeant.”

Zodra hij, wiens-gelijke-in-rang Huub thans was, hiervan kon worden overtuigd (misschien moesten op dat moment de sergeantsstrepen nog opgenaaid worden, dat weet ik eigenlijk niet precies), zweeg hij, de mond vol tanden.. Al kon hij nadien dan nog wel eens zijn overwicht laten gelden door zich te beroepen op ‘het hebben van meer dienstjaren’, maar de scherpe kantjes waren er toch duidelijk af. Nog weer later zou mijn vader ook nog de voor een MULO-klant hoogste rang behalen: die van sergeant-majoor. Maar ik geloof eigenlijk dat dit pas plaatsvond tijdens de mobilisatie van ’39- ’40. Want voorlopig kon hij, zodra in ’35 zijn dienstplicht er op zat, terug naar het ‘burgerleven’ en naar zijn familie in Rotterdam. De familie was intussen in zijn geheel verhuisd naar de Insulindestraat, op een kilometer afstand van hun vorige huis. In ’45 zou er nóg een verhuizing plaatsvinden naar de daar vlakbij gelegen Rodenrijselaan. Beide adressen hadden met elkaar gemeen dat ze nog iets dichter bij de Noordsingel, en dus bij het kleermakersatelier gelegen waren.

Nu Huub was afgezwaaid, was het gezin Van der Kaaij wederom geheel compleet: Jo, Stef, Annie en Walter woonden nog steeds genoeglijk thuis, zonder dat zich voor deze of gene onder hen een verloofde had aangediend die hier mettertijd verandering in had kunnen brengen. Of de zoons in die periode vast werk hadden, weet ik niet precies, maar de dóchters hadden het in ieder geval wèl: Jo was inmiddels telefoniste bij de PTT geworden; dat gold in die tijd als ‘nogal een aardig beroep, voor een meisje.’ Ze heeft zelf echter haar hele leven volgehouden nog nooit ook maar een dág met plezier te hebben gewerkt. Nooit ging er een zondag voorbij zonder dat ze minstens één maal hartgrondig uitbraakte: “Morgen weer maandag, bwoah!” En maandagmiddag, zo tegen zessen, kende huize van der Kaaij inmiddels een vast ritueel: Wanneer Jo de trap besteeg – in de Insulindestraat woonde de familie voor het eerst op een bovenwoning – stond daar op de overloop Marie, de werkster, die haar steevast begroette met een tandeloze grijns en altijd hetzelfde zinnetje: “So, de kop is ter weer af, Jefrau!” Jo: “Ja, gelukkig wèl, Marie!” Marie: “Hèhèhèhèhè!” (tandeloos gegrinnik). Elke maandag weer, zoals mijn vader later zou verzekeren; kón niet missen!

Zijn andere zuster, Annie, had na de middelbare school een korte opleiding toerisme gevolgd – vooruitstrevend voor die periode – en was in dienst getreden bij de ANWB Rotterdam. Ze heeft daar ook carrière gemaakt, want op haar 65ste zou ze er afscheid nemen als adjunct-directrice! Alleen het vinden van een levenspartner teneinde op een toen nog voor een vrouw respectabele manier te kunnen ‘uitvliegen,’ zat er bij haar net zomin in als bij Jo, door de onevenredig sterke binding aan dit  “kluwengezin.” En nu alle kinderen Van der Kaaij ouder werden, begon dit langzamerhand natuurlijk des te meer op te vallen, al werd er destijds nog minder bedenkelijk tegenaan gekeken dan tegenwoordig het geval zou zijn.

De enige kleine verandering die, afgezien van de verhuizing, had plaatsgevonden: Het gezin had nu inmiddels een huisdier: Een kat. Feitelijk hadden beide veranderingen direct met elkaar te maken: De bovenwoning in de Insulindestraat bevond zich boven een graanopslagplaats, wat met zekerheid de oorzaak was dat de familie er last had van kleine, ongenode gasten, oftewel: muizen. Eerder had men nooit enige behoefte gevoeld aan welke viervoetige huisgenoot dan ook; zelfs Jans, met haar achtergrond als boerendochter, had er nooit naar getaald. Maar hier had zich dus de welhaast klassieke aanleiding voorgedaan om er tóch maar aan te beginnen. Officieel gaf niemand in huis – Stef, om de één of andere reden uitgezonderd – bijzonder veel om het beest, dat voor het gemak “Scherens” werd gedoopt, naar de toenmalige Belgische Wielerkampioen Jef “Poeske” Scherens met het oog op diens bijnaam. Ook mijn vader gaf in eerste instantie voor in het algemeen al niet van katten te houden en al helemaal niet van dit weinig aimabele, dikke, op het eerste gezicht aartsluie exemplaar. Maar zoals dat vaker bij hem het geval was: Na dit te hebben vastgesteld, bleek hij dan opeens met betrekking tot die kat een voorraad anekdotes bij de hand te hebben die zijn voorraad eigen jeugdherinneringen overtrof: Bijvoorbeeld dat vader Bertus reeds de eerste avond zat te meesmuilen: “Nou zeg, daar nemen we nou een kat voor: Dáár zit de kat en dáár loopt de muis!” Hij had het, aldus Huub, evenwel nog niet gezegd, of met één razendsnelle, strategische klauwbeweging had Scherens de muis te pakken, zodat de familie-patriarch, ietwat verbluft, zijn woorden maar weer terugnam. Of het hilarische gegeven dat Scherens in beginsel hele dagen voor de kachel lag te slapen, maar dan, vooral in het voorjaar, ’s avonds plotseling ‘krols’ werd en onrustig ging zitten miauwen. Als men hem vervolgens door een dakraampje naar buiten liet, (“Hup, joh, ga jij dan maar wat lol maken”) wilde hij steevast minder dan een half uur later weer naar binnen en bleek onveranderlijk snipverkouden, wat de familie toeschreef aan het feit dat hij verder nooit buiten kwam, maar onafgebroken voor de kachel lag. Het is typerend voor het tijdvlak dat niemand  daarbij aan de mogelijkheid van niesziekte dacht, waar men tegenwoordig al snel voor zou hebben gevreesd. Maar gelukkig was het dat waarschijnlijk ook niet, want het beest heeft een respectabele leeftijd bereikt: Huub’s latere vrouw, Leonie, heeft er in ieder geval ná mei ’45 nog mee mogen kennismaken.

Gedurende die paar resterende, relatief rustige, jaren bekwaamde mijn vader zich in het boekhouden en haalde daar zelfs het praktijkdiploma in, wat hem onder andere lesbevoegdheid in de branche gaf – dat hij er nog meer mee wist te doen, zou na de oorlog, tijdens de wederopbouw blijken. Echter, zo ver was het nog niet: In ’39, na de Duitse inval in Polen, wat het begin van de Tweede Wereldoorlog inluidde, volgde de mobilisatie: Opnieuw moest Huub, nu als onderofficier, onder de wapenen. De toestand waarin de Nederlandse Krijgsmacht zich bevond, bleek meer dan erbarmelijk; logisch gevolg van Hendrik Colijn’s jarenlange ‘politiek van het gebroken geweertje.’ Daarnaast geloofde men op dat ogenblik waarschijnlijk nog maar half dat het deze keer menens zou worden; men bleef zich maar vastklampen aan het verloop in ’14-’18, toen Nederland er doorheen had weten te zeilen door middel van haar ‘neutraliteit.’ Maar, zoals wij allen inmiddels weten: Dat zou nú even anders uitpakken. Al bleek, ondanks de deplorabele toestand van het Nederlandse leger, de weerstand van datzelfde leger tegen de Duitse agressor taaier dan Hitler had verwacht!  Het pleit werd, vijf dagen na de Duitse inval, op 15 mei 1940 beslecht met het bombardement op Rotterdam, waarna spoedig de Nederlandse capitulatie volgde: Het centrum van de stad lag volledig in puin en bijna in diezelfde tijd kon de Rotterdammer Huub van der Kaaij, ironisch genoeg, terugkeren naar huis.

De omgeving Noordsingel bleek waarachtig grotendeels gespaard, ook de Insulindestraat en het politiebureau Haagse Veer, met inbegrip van het kleermakersatelier. Mijn vader trof aldus zijn ouderlijk thuis als door een wonder nog intact aan. Zoals voor zoveel Nederlanders leek voor de familie Van der Kaaij daardoor in de maanden, volgend op de , het leven langzamerhand weer zijn normale loop te hernemen, maar ja, wat was normaal? De bezetting was een feit! Met als gevolg, dat zich spoedig nieuwe dreigingen aandienden: De Nederlandse Joden ontvingen na het neerslaan van de Februari-staking van ’41 definitief hun oproep om op transport te worden gesteld naar het Oosten, waarna zij één voor één óf werden afgevoerd, óf onderdoken; de Nederlandse jongemannen – en mannen tot een bepaalde leeftijd – ontvingen vroeg of laat hun oproep voor de Arbeitseinsatz….eveneens oostwaarts, richting Duitsland. Wederom had mijn vader geluk: Hij wist de hand te leggen op een ambtelijke betrekking, die vrijstelling van ‘Arbeidsinzet’ betekende. Al hield dit dan wel in dat hij ten derde male huis en haard zou moeten verlaten, want de betrekking was er één op het Landbouwhuis, afdeling Voedselvoorziening, in Alkmaar, helemaal in de Kop van Noord-Holland! Maar ja, het was dàt of Duitsland, dus de keuze was gauw gemaakt. In het midden van ’42 vertrok mijn vader noordwaarts. Zijn broers Stef en Walter ontkwamen níet aan de Arbeitseinsatz. Toch zou Walter, later in de oorlog, zijn voordeel doen met de nieuwe omgeving- en de nieuwe kringen, waarin zijn broer terecht gekomen was……

Mijn vader werd in Alkmaar zorgzaam opgevangen: Hij kwam in de kost bij de chef van de afdeling Voedselvoorziening, Ranzijn, met wie hij regelmatig ’s morgens naar het kantoor aan de Paardenmarkt fietste. Op een bepaald punt op de route, zo merkte hij al spoedig, kreeg de chef dan vaak gezelschap van een paar typistes van de afdeling, die tenslotte dezelfde bestemming hadden. Eén van hen leerde hij kennen als Guur Schoonhoven, de andere, een opvallend zwartje met een up-to-date 40’er jaren-kapsel, als Leonie van der Wiel…… De sfeer op kantoor was wel goed; zelfs verkapt patriottisch: De onuitgesproken afspraak was de Duitse overheersers, waar het kon, tegen te werken; daartoe onderhield men dan ook intensieve contacten met het verzet. Van de connecties, die de jonge verzetsman Bram Daalder – die in de loop van ’42 door de SS ingerekend en naar Buchenwald was afgevoerd – had gehad, was de hele afdeling op de hoogte, maar het bleef een goed bewaard geheim. Chef Ranzijn nam opmerkzaam kennis van de loopbaan-in-militaire-dienst van zijn nieuwe boekhouder: sergeant-majoor….Dan kon hij dus met wapens van verschillend kaliber overweg? Dat kon hij. “Je begrijpt, er is hier een eindje buiten de stad, in West-Friesland, nogal behoefte aan….instructeurs. Hopelijk kan ik je naar voren schuiven?” Mijn vader sloeg niet af: Het waren er de tijden niet naar om iets af te slaan als men de gevraagde vaardigheid metterdaad beheerste….

Na het nodige ‘aftasten’ en wederzijds uitwisselen van informatie zag men kort daarop regelmatig een eenzame fietser, type kantoorman, tochten ondernemen van Alkmaar naar het West-Friese. Heel af en toe werd hem, meestal door een ‘Landwacht’- altijd NSB’ers – om zijn PB gevraagd, waarna hij steeds mocht doorrijden. Met dat PB was alles in orde; hij verbleef hier legaal. Overigens was de controle in dit deel van Noord-Holland ook niet zo intensief, al moest je uiteraard voortdurend op je tellen blijven passen. Op een gegeven moment bereikte de fietser, hoe dan ook, de oprit van een boerderij, waar hij afstapte. De boerderij van ene Wim van Veen. Op die boerderij trof hij mensen. Wie zij waren? Dat was minder belangrijk: Belangrijk was, dat zij voor hetzelfde doel stonden als hij. Al was het een verrassing om te vernemen dat één van hen, Harry van der Wiel, gemeentesecretaris in Obdam, de broer was van dat knappe zwartje op kantoor, Leonie…….

Wim van Veen zat actief in het verzet, met medeweten van zijn vrouw Nel. Dat boeren op dit vlak behulpzaam waren, bijvoorbeeld door hulp aan onderduikers, kwam wel vaker voor, Maar van Veen ging verder: Zijn schuur was geruime tijd in gebruik als opslagplaats voor illegale wapens die door het Verzet werden benut, bijvoorbeeld bij overvallen op distributiekantoren en dergelijke, waarbij de buitgemaakte distributiebonnen ten goede kwamen aan onderduikers. Mijn vader nam in deze de taak van instructeur op zich: Hij hield trainingen en gaf advies over het onderhoud van de verschillende soorten wapens, waarbij hij ook de supervisie behield. Natuurlijk hield het bezit van zo’n voorraad wapens een risico in, een gróót risico zelfs! Maar ik kan de lezer hier géén dramatisch verloop gaan voorschotelen over een plotselinge ontdekking tijdens een razzia, waarbij een x-aantal mensen ter plekke werd gefusilleerd, om de eenvoudige reden dat zulks zich hier nooit heeft voorgedaan. (kwestie van pure mazzel, maar ja…..) Over het omgekeerde hoort men betrekkelijk weinig, maar toevallig heeft zich dát hier wèl voorgedaan: Op een keer, nèt op het moment dat men in de schuur druk doende was met het onderhoud en het nazien, ging de deur open en kwamen er twee Duitse soldaten binnen! Men zou toch zeggen dat er een uitkijk op het erf op wacht had moeten staan, maar klaarblijkelijk was men hiermee dit keer slordig geweest. Hoe dan ook, die twee Duitsers – jonge knullen waren het nog – waren al evenzeer verrast: Dit hadden ze totaal niet verwacht. Het schijnt dat ze, langs de boerderij fietsend, slechts waren afgestapt in de hoop eieren of iets van spek te kunnen kopen om vervolgens, toen ze niemand op het erf aantroffen, op goed geluk een deur te openen. Ze schijnen gesmeekt te hebben om hen te laten gaan; ze zouden niets verraden, maar daaraan kon de verzetsgroep uiteraard geen gehoor geven: Out of the question dat dit risico genomen mocht worden. Ze hebben die twee jongens ter plekke moeten neerschieten en hun lichamen zowel als hun fietsen moeten laten verdwijnen, hoe verschrikkelijk ze het ook vonden…..

Een paar maanden later was het min of meer ècht raak. Min of meer, want de Duitsers kunnen, achteraf bekeken, geen enkele concrete aanwijzing gehad hebben, weinig doortastend als ze bij die gelegenheid optraden. Als ze al kwamen naar aanleiding van de één of andere tip, dan waarschijnlijk een héél vage, waarbij ze zelf niet goed wisten wat ze zochten. Dit keer werd er bijtijds alarm geslagen dat ze eraan kwamen en Wim van Veen, Huub, Harry en nog enkele anderen waren het veld in gevlucht om zich te verstoppen. Alleen Nel van Veen bleef thuis. De Duitsers drongen het huis binnen, zetten haar het geweer op de borst en probeerden haar aldus te dwingen informatie te geven over….ja, waarover? Activiteiten of iets dergelijks? Als het concreet om wápens was gegaan, om maar een voorbeeld te noemen, hadden ze ook eigener beweging kunnen beginnen huis en hof volledig uit te kammen, maar dat deden ze niet eens: Na enige malen dreigen en vragen om inlichtingen, waaronder Nel, hoewel natuurlijk doodsbenauwd, uiterlijk kalm zichzelf van de domme bleef houden…..geschiedde het wonder dat ze het opgaven en weer vertrokken zonder nog ergens naar te zoeken! De wapens lagen volkomen ongerept verborgen in de schuur, de mannen keerden uit het veld terug zonder een haar gekrenkt te zijn. De enige die er finaal doorheen zat, was, begrijpelijkerwijs, Nel. Ze was dan ook niet meer te vermurwen: Dat hele wapenarsenaal moest ergens anders heen. “‘k Wil die krenge gin dag meer in huus!”

Nu is zoiets gauw gezegd, maar vind maar eens een andere opslagplaats! Een dag of twee later wèrd er één gevonden, maar moest er nog worden overlegd hóe en door wie dat hele arsenaal het beste vervoerd kon worden over een landweg, waar af en toe nog wel eens Duitsers en landwachten patrouilleerden. Het verlossende woord in deze werd gesproken door Piet Opdam, die duidelijk een dappere inslag vertoonde, hoewel hij volgens mijn vader tegelijkertijd een ontzettende zenuwknoop was, getuige het feit dat hij verschrikkelijk stotterde. Nu evenwel toonde hij zich vastberaden: “D-d-d-d-dat doe ik!” Met zijn bakfiets, de wapens allemaal in de bak geladen en afgedekt met stro en daar overheen een dekzeil. Het leek geen echt veilig transportmiddel bij een onverwachte, grondige controle, maar niemand wist iets beters. “R-r-r-r-r-rij j-j-jij maar voorop,” stelde hij mijn vader voor, “e-e-en als-t-er m-m-moffen a-a-a-nkommen, roep je maar h-h-heel hard: ‘P-p-p-p-p-iet!’” Achteraf naverteld klinkt dat onveranderlijk grappig; op het moment zelf wel wat minder, naar ik veronderstel. Maar goed, alles liep als door een wonder gesmeerd en de wapens vonden een nieuw, veilig onderkomen. Ze zijn nooit ontdekt, laat staan geconfisqueerd en hun bezitters bleven eveneens ongedeerd.

Inmiddels had Huub, ook al dankzij zijn contacten met Harry, niet alleen nader kunnen kennismaken met Leonie, maar ook met haar ouders. De familie was, na de vroegtijdige pensionering van vader Jan, verhuisd naar Heiloo, een gemeente onder de rook van Alkmaar, waar hij vrij gemakkelijk bij ze op bezoek kon gaan. Leonie en hij hebben zich weliswaar nooit “officieel” verloofd, maar niettemin waren ze het inmiddels “eens:” Ná de oorlog zouden ze trouwen. Het was maar goed dat hij het op dit punt ook met Jan en Fien “eens” had weten te worden, want intussen had zich een nieuw probleem aangediend in de vorm van zijn broer Walter, waar hij, tenminste in eerste instantie, hun hulpvaardigheid bij nodig had. In tegenstelling tot hun broer hadden Stef noch Walter de Arbeitseinsatz kunnen ontlopen. Beiden waren afgevoerd naar Duitsland en daar tewerkgesteld. Stef zou pas na de Duitse capitulatie in mei ’45 terugkeren – met gescheurde trommelvliezen, doordat hij met explosieven had moeten werken, zodat hij de rest van zijn leven hardhorend zou blijven. Walter echter had in de loop van ’44 weten te ontsnappen en was er, op welke manier dan ook, in geslaagd naar Nederland terug te keren zonder opnieuw in Duitse handen te vallen. In Rotterdam was hij echter niet veilig en daarnaast konden Bertus en Jans hun sterk vermagerde, ernstig verzwakte zoon evenmin naar behoren op krachten laten komen. Met alle beschikbare middelen slaagde broer Huub er in hem naar Noord-Holland te halen, waar hij hem voorlopig bij zijn schoonouders in spé kon onderbrengen, maar het was vanaf het begin duidelijk dat het maar een zeer tijdelijke oplossing betrof: Het moeizaam opgespaarde voedselvoorraadje van de Van der Wielen slonk zienderogen, vrijwel meteen na Walter´s intrede; er moest dus zo spoedig mogelijk een ander onderkomen worden gezocht via het West-Friese verzet. Huub kreeg de raad het in De Weere bij boer Klaver te proberen, die op dat moment één onderduiker had. Klaver was een welgestelde landbouwer op jaren, die vanwege zijn enorme omvang wijd en zijd “de Dikke Boer” werd genoemd. Op dat ogenblik was hij reeds in de 80 en werd de boerderij grotendeels gedreven door zijn drie volwassen, nog steeds ongetrouwde, zoons, maar ‘Vaeder’ had onbetwist de supervisie over alles, want seniel was hij om de donder niet en zijn wil was wet. Huub wist van tevoren dat hij zijn verzoek vooral op de juiste manier zou moeten overbrengen, want als de dikke boer, geprikkeld door één verkeerd gevallen woord, nee mocht zeggen, kon je het wel vergeten: Dan bleef het onherroepelijk nee; ’t was geen gemakkelijk heerschap. Dat had pastoor Van Oostwaard al moeten ondervinden, nadat die in zijn zondagspreek eens al te persoonlijk was geworden (“We moeten nodig wat verbeteren aan het niveau van ons zangkoor, want op deze manier looft men de Here níet: Daar staat me bijvoorbeeld zo’n Dikke Boer maar een beetje te krassen!”). Bij het eerstvolgende huisbezoek echter, waar hij gewend was van die welgestelden wel iets in handen gestopt te krijgen, luidde het antwoord op zijn hoopvolle vraag “En, Klaver, heb je nog wat in de ouwe kous?” kort en bondig: “Gaete, meneer pestoor, gaete.” En dat was vanaf dat moment niet meer veranderd.

De avond waarop Huub, zijn ‘tactisch ingeklede verzoek’ in zijn ‘bovenkamer’ opgeborgen, naar de boerderij toog, kon hij het daar bij binnenkomst meteen wel laten hangen, want er zat iemand op bezoek. Iemand die hij niet kende. En als er in die bezettingsjaren íets tot alle betrokkenen bij het verzet was doorgedrongen, was het wel dat je niets wat ook maar in de verste verte met verzetsactiviteiten te maken had, mocht bespreken in het bijzijn van iemand die je niet kende. Dat werd dus voor de vorm een uur lang over koetjes en kalfjes praten, waarna hij onverrichter zake weer huiswaarts toog. Echter, de volgende dag verscheen, verrassend genoeg, Dirk, de oudste zoon op het Landbouwhuis, die bij Van der Kaaij belet vroeg en besmuikt informeerde: “Ha’ je meskien nog een booskippie veur oos, gesterneivend?” Ik kan me zo voorstellen dat mijn vader de man wel had kunnen omhelzen vanwege zijn alertheid, maar hij beperkte zich uiteraard tot een even besmuikte uiteenzetting van de kwestie, waarop Dirk uitnodigde: “Kom veneivend nog maer es: We zalle zien…..”

Toen mijn vader die avond dan ten tweeden male huize Klaver betrad, bleek Dirk het inmiddels al ‘op de woorden gegooid’ te hebben bij ‘Vaeder,” die Huub rustig liet uitpraten om vervolgens het verlossende woord te spreken: “Jae, da’ mot dan maer, ee….” waarop je dan ook niet meer moest beginnen met “Vreselijk bedankt, Klaver”, omdat dàt dan weer nors werd afgeweerd: “Jae, ’t is goeie…Skai maer uut.” Hoe dan ook, Walter zou er tot de bevrijding blijven, tot volledige tevredenheid van alle partijen. Ook van De Dikke Boer, die er content over was dat deze onderduiker ’s morgens zo gemakkelijk vroeg uit de veren kwam en dan meteen naar het land vertrok. Dat hij daar verder, zachtjes uitgedrukt, niet al te veel uitvoerde, telde niet: Hij was de hele dag van de vloer en daar ging het om! Dit, omdat de Dikke Boer de vergelijking trok met de andere onderduiker, die naar zijn zin te veel rondom ‘huis en hof’ bleef hangen, wat ermee te maken had dat hij een oogje had op de Meid – met wie hij na de oorlog metterdaad is getrouwd. Maar in het hoe en waarom verdiepte de Dikke Boer zich niet: Hij zag alleen het verschil tussen de een, die naar zijn oordeel maar liep te lanterfanten, en de ander, die hij de hele dag niet onder ogen kreeg, ongeacht, wat die verder uitvoerde, zoals gezegd, zodat het herhaaldelijk was: “Niksnut! Jai deug’ veur niks: Neem ’n veurbeeld aen Walter!” En tegelijkertijd: “Walter, jonge, jai mot hier maer goed ete!” Wat Walter zich geen twee keer liet zeggen. Nog geen zes weken na zijn aankomst in huize Klaver was hij qua omvang te vergelijken met zijn gastheer, wat feitelijk zijn hele verdere leven zo gebleven is.

Juist in bezettingstijd werd elke gelegenheid voor een ‘verzetje,’ hoe geïmproviseerd en sober ook, aangegrepen, omdat de situatie anders helemáál onhoudbaar was geworden. Zo probeerde men in verzetskring op een gegeven moment nog wat te maken van de één of andere 25-jarige bruiloft in een café ergens in Hoogwoud, waarbij ook Leonie van de partij was. Haar aanstaande, Huub, trad bij die gelegenheid op als ceremoniemeester, waarvoor hij een zeker talent bezat en wat hij na de oorlog nog vele decennia bij diverse gelegenheden is blijven doen. Hij schreef er ook liedjes en voordrachten voor, waarin, traditiegetrouw, ook de aanwezige bruiloftsgasten genoemd werden. Van één van hen, een zekere Van der Leij, wist hij eigenlijk niets af, behalve dat de man, tenminste van geboorte, Rotterdammer was! Dat volstond! Het inspireerde mijn vader tot het slot-couplet van het bruiloftslied, dat instinctief door verscheidene aanwezigen meegezongen, nee, meegebrúld werd, niettegenstaande het feit dat het niet over West-Friesland ging en…..niettegenstaande het feit  dat er zich pal achter dat café een onderkomen voor een detachement Duitse soldaten bevond. Leonie zou later erkennen haar hart vastgehouden te hebben op het moment dat haar aanstaande, na de inleiding: “En zoals ook Mijnheer van der Leij…….” niet meer te houden was en de ‘ode aan Rotterdam’ , vooral het slot, onder algehele instemming uitschrééuwde: “Ze kunnen dan misschien wel wat aan onze stad bederven,” “MAAR ROTTERDAM, ONS ROTTERDAM, NOOIT ZAL HET STERVEN!” Dat was onvoorzichtig, ja. Zéér onvoorzichtig. Maar opmerkelijk genoeg liep ook dit, zoals bijna alles in deze geschiedenis, met een sisser af. En de clou werd door alle bruiloftsgasten begrepen!

Ook de Hongerwinter van ’44-’45 viel voor de meeste inwoners van dit gebied, de Kop van Hoord-Holland, nog wel uit te houden, al ontstonden er op het laatst ook hier ernstige tekorten en heeft ook Leonie vanuit Heiloo tenminste één keer op hongertocht gemoeten, waarover in een volgende aflevering meer. Maar erger nog was het meer zuidwaarts, richting de Randstad: Haarlem, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag…..Het valt nu niet meer voor te stellen dat er mensen vanuit díe omgeving soms helemaal tot aan West-Friesland liepen in de hoop wat eten te bemachtigen, maar op dat moment was het de realiteit…..en nóg erger. Of zij door de boeren geholpen werden…..Door verschillende wèl, door anderen niet; dat varieerde….

Bij Wim en Nel van Veen zaten ze altijd wel goed. En ook bij de familie Vijzelaar in De Weere: Jan Vijzelaar en zijn vrouw, Ma, hadden zich er al snel op ingesteld: Wie, vaak nog tegen de avond, bij hen aan de deur kwam, mocht allereerst mee-eten: Bij behoorlijke aantallen kookte Ma wel een extra voorraad pap in een grote ketel. En vervolgens mochten ze dan ook blijven slapen, op de ‘koegang’ in het achterhuis, waar extra hooi en dekens werden neergelegd. De volgende dag kregen ze dan ook nog een voorraadje mee waarmee ze óf verder óf huiswaarts konden, dat waren Jan en Ma! Maar nu was het op een avond in januari ’45 dat Huub en Leonie gezellig bij deze kanjers op visite zaten ter gelegenheid van Jan’s verjaardag en dat Ma al een paar keer had benadrukt: “Jan, veneivend gin sleipers, sei (wat zeg jij)?” “Nei, nei, veneivend nait,” had Jan bevestigd: Verjaardag was verjaardag. Nog geen half uur later werd er geklopt. “Deer zal je ze toch nog hebbe,” constateerde Ma, “mar…..” “Jae, ‘k weit ‘et; ‘k stuur ze wel weg…..” Jan ging de kamer uit, waarna hooguit anderhalve minuut later stemmen en voetstappen weerklonken…..op de Koegang! “Wel verdikke……” Geïrriteerd kwam Ma overeind om werktuiglijk de papketel alweer op het vuur te zetten, waarop haar man binnen kwam, die zwijgend ging zitten. “Noh, Jan, wat ha’k zoid? Gin Sleipers!” “Och, Ma……”korte paue- ” ’t wazze sukke gnappe (keurige) meinsies…..”  Ma toog namopperend aan de slag, maar de “gnappe meinsies” krégen die nacht hun avondmaaltijd en hun slaapplaats, en de andere dag hun voorraadje: Jan, en uiteindelijk ook zijn vrouw, waren niet in staat om ook maar iemand ooit te weigeren! Zúlke had je er gelukkig eveneens bij, anders had de Hongerwinter mogelijk nog meer slachtoffers geëist.

Op mei 1945 capituleerde Duitsland. Mijn vader, chef Ranzijn, Harry en zo nog een aantal verzetsmensen accepteerden een blauwe maandag de armbanden van de BS, maar leverden die meteen weer in zodra hun assistentie niet langer strikt noodzakelijk was. Zij hadden hun plicht gedaan; zij hadden het niet nodig om nog wekenlang brallend met hun karabijnen de straten af te schuimen, in het wilde weg te schieten, “moffenmeiden” te molesteren en kaal te scheren en de verkeerde mensen op te pakken, zoals de types, die de hele oorlog geen hand hadden durven uitsteken, maar hun kans schoon zagen nu het gevaar goed en wel geweken was. Zij waren degenen die niet op roem of erkenning zaten te wachten, maar hun voldoening putten uit het feit dat het land weer vrij was, niet meer en niet minder. En ze gingen hun blik op de wederopbouw richten!

Mijn vader was trouwens op dat moment nog steeds dienstplichtig onderofficier en dat zou nog een tijdje zo blijven ook. Maar hij bleef gestationeerd in de ‘Kop’, en werd tewerkgesteld op een administratieve afdeling in Amsterdam, zodat hij een begin kon maken met het opbouwen van een toekomst met Leonie. Walter kon terugkeren naar Rotterdam en ook Stef keerde, zoals gezegd doof, maar levend, vanuit Duitsland huiswaarts, waar beiden weer onmiddellijk werden opgenomen in de ‘familie-kluwen.’

Eind goed, al goed? Niet helemaal natuurlijk: De wederopbouw was geen sinecure…..

(Wordt vervolgd)

Door:

Theresa Geissler
(oorspronkelijk geschreven voor: www.ejbron.wordpress.com)